Er kunnen binnen een project meerdere systemen van luchtbehandeling en/of luchtbehandelingskasten gedefinieerd worden. Bij het ruimtesjabloon afgifte selecteer je vervolgens welke systeem van luchtbehandeling je aan de ruimte koppelt. Een systeem van luchtbehandeling kan gedefinieerd worden op basis van meerdere elementen, voor voorbeelden van klimaatsystemen verwijzen we naar ISSO 43.

Ventilatiesysteem

  • Gebouwsimulatie
  • Warmteverlies
  • EPG

Afhankelijk van de invoer in het scherm luchtbehandeling wordt het type ventilatiesysteem weergegeven; dit is niet direct te wijzigen.

Ventilatieregeling

  • EPG

Afhankelijk van het type ventilatiesysteem en de regeling en sturing wordt het regelsysteem weergegeven zoals dit wordt toegepast in de energieprestatie berekening EPG.

Toevoer

Mechanische toevoer

  • Gebouwsimulatie
  • Warmteverlies
  • EPG

Hier geef je aan of in het systeem van luchtbehandeling mechanische toevoer aanwezig is. Boven in het scherm luchtbehandeling onder ventilatiesysteem wordt mede door deze invoer het juiste type ventilatiesysteem weergegeven.

Aantal ventilatoren

  • EPG

Hier geef je het aantal ventilatoren op die zich in de luchtbehandelingskast bevinden. Deze invoer is alleen mogelijk indien voor de energieprestatie EPG via de Projectinstellingen is aangegeven dat het Ventilatorvermogen uitgebreid moet worden bepaald. Bij het ventilatorvermogen in het systeem moet ook het ventilatorvermogen op ruimteniveau worden meegenomen, zoals bij fancoils.

Publicaties

NEN 8088-1, paragraaf 7.3.2.3

Werkelijk geïnstalleerde nominale vermogen

 

Nominaal vermogen

  • EPG

Hier geef je het vermogen per ventilator op in W. Indien er meer ventilatoren opgegeven zijn, wordt het vermogen vermenigvuldigd met het aantal ventilatoren. Deze invoer is alleen mogelijk indien voor de energieprestatie EPG via de Projectinstellingen is aangegeven dat het Ventilatorvermogen uitgebreid moet worden bepaald. Bij het ventilatorvermogen in het systeem moet ook het ventilatorvermogen op ruimteniveau worden meegenomen, zoals bij fancoils.

Opwarming

  • Gebouwsimulatie
  • Warmteverlies
  • EPG

Hier geef je aan of de opwarming van de lucht door de toevoerventilator moet worden meegenomen en met welke waarde.

Deze opwarming van de lucht door de ventilator is voordelig voor de verwarmingsbehoefte en nadelig voor de koelbehoefte.

  • Standaard: er wordt gerekend met een opwarming door de ventilator van 1,5 K
  • Eigen waarde: er kan een eigen waarde voor de opwarming worden opgegeven tussen 0 en 4 K

Toevoerroosters Regeling

  • EPG

Wordt geen mechanische toevoer van ventilatielucht toegepast, en dus de ventilatielucht natuurlijk (van buiten) wordt toegevoerd, kan hier de regeling (sturing) worden opgegeven van de toevoerroosters. Afhankelijk van onder andere deze sturing wordt bovenin het scherm de Ventilatieregeling weergegeven zoals deze wordt toegepast voor de energieprestatieberekening EPG.

Publicaties

NEN 8088-1, paragraaf 5.5.2.2.1

Systeemgerelateerde ventilatie bij warmte-en koudebehoefte – Tabel 2

Afvoer

Mechanische afvoer

  • Gebouwsimulatie
  • Warmteverlies
  • EPG

Hier geef je aan of in het systeem van luchtbehandeling mechanische afvoer aanwezig is. Boven in het scherm luchtbehandeling onder ventilatiesysteem wordt mede door deze invoer het juiste type ventilatiesysteem weergegeven.

Decentrale afvoer (Systeem C; variant)

  • Gebouwsimulatie
  • Warmteverlies

Hier geef je aan of voor de warmteverliesberekening voor woningbouw moet worden gerekend met een variant op ventilatiesysteem C. Bij deze variant wordt de ventilatielucht niet centraal afgezogen in keuken, badkamer en toilet, maar wordt per ruimte de lucht afgezogen (vraaggestuurde ventilatie). Voor de warmteverliesberekening kan dan worden gerekend met een gevel die meer luchtdicht is; er kan een lagere qv,10 waarde worden opgegeven.

Publicaties

ISSO Publicatie 51 (2017), paragraaf 4.7.2

Natuurlijke toevoer van ventilatielucht, mechanische afvoer per vertrek

ISSO Publicatie 51 (2012), paragraaf 4.3.2.3

Systeem C: Natuurlijke toevoer en mechanische afvoer

ISSO Publicatie 51 (2012), paragraaf 4.3.1.1

Woningen/woongebouwen die voldoen aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit –Tabel 4.2

Aantal ventiltatoren

  • EPG

Hier geef je het aantal ventilatoren op die zich in de luchtbehandelingskast bevinden. Deze invoer is alleen mogelijk indien voor de energieprestatie EPG via de Projectinstellingen is aangegeven dat het Ventilatorvermogen uitgebreid moet worden bepaald.

Publicaties

NEN 8088-1, paragraaf 7.3.2.3

Werkelijk geïnstalleerde nominale vermogen

Nominaal vermogen

  • EPG

Hier geef je het vermogen per ventilator op in W. Indien er meer ventilatoren opgegeven zijn, wordt het vermogen vermenigvuldigd met het aantal ventilatoren. Deze invoer is alleen mogelijk indien voor de energieprestatie EPG via de Projectinstellingen is aangegeven dat het Ventilatorvermogen uitgebreid moet worden bepaald.

Opwarming

  • Gebouwsimulatie
  • EPG

Hier geef je aan of de opwarming van de lucht door de afvoerventilator moet worden meegenomen en met welke waarde. Deze opwarming van de lucht door de ventilator bepaalt mede de verwarmings- en koelbehoefte in Gebouwsimulatie indien er een WTW of recirculatie op de retourlucht wordt toegepast.

Ventilatorgegevens algemeen

Aandrijving

  • EPG

Hier geef je aan voor woningbouw of de ventilatoren worden aangedreven door gelijkstroom of door wisselstroom. Voor een berekening van een utiliteitsgebouw heeft deze opgave geen invloed.

Publicaties

NEN 8088-1, Bijlage D

WBepaling forfaitair nominaal elektrisch ventilatorvermogen

 

Regeling

  • Gebouwsimulatie
  • EPG

Hier kan worden aangegeven of de luchtvolumestroom kan worden terug geregeld.

Terug regeling is alleen mogelijk indien de werkelijk te installeren ventilatiecapaciteit wordt opgegeven; bij de minimale ventilatie-eisen welke bij de forfaitaire methode worden bepaald, wordt geen terug regeling in rekening gebracht. Voor woningbouw heeft deze invoer geen effect.

Met deze invoer kan er in Gebouwsimulatie een VAV-systeem gedefinieerd worden. Zet hiervoor de regeling op een VAV-systeem, en voeg op ruimteniveau VAV-units (zie Afgifte-apparaten) toe. Per VAV-unit kunnen setpoints (temperatuur of CO2) ingevoerd worden.

  • Geen (CAV)
  • Smoorregeling (VAV) Hierdoor wordt de totale leidingweerstand beïnvloed, het werkpunt van het apparaat aangepast en daarmee de opbrengst
  • Inlaatklepverstelling (VAV)
  • Waaierschoepverstelling (VAV)
  • Hoog/laagregeling (VAV): Deze regelt de ventilator via twee standen: hoog of laag
  • Toerenregeling (VAV): Deze regelt het aantal omwentelingen per tijdseenheid van de ventilator
Publicaties

NEN 8088-1, paragraaf 7.3.3.2.2 tabel 17

Werkelijk opgestelde vermogen voor gehele gebouwn

 

Terugregeling mogelijk

  • Gebouwsimulatie
  • EPG

Vink aan dat er sprake is van terugregeling. Dit kan alleen wanneer gekozen is voor VAV. Wanneer je aan vinkt ‘terugregeling per ruimte mogelijk tot’ en je geeft hier bijvoorbeeld 20% op, dan wordt er tot 20% van het opgegeven ontwerpdebiet teruggeregeld.

Terugregeling is alleen mogelijk indien de werkelijk te installeren ventilatiecapaciteit wordt opgegeven.

Bij de minimale ventilatie-eisen welke bij de forfaitaire methode worden bepaald, wordt geen terugregeling in rekening gebracht.

Publicaties

NEN 8088-1, paragraaf 7.3.3.2.2 tabel 17

Werkelijk opgestelde vermogen voor gehele gebouwn

 

VLA methodiek woningbouw

Gelijkwaardigheid ventilatie

  • Warmteverlies
  • EPG

Volgens de VLA methodiek is het mogelijk voor woningbouw gelijkwaardigheid toe te passen voor energiebesparende ventilatieoplossingen. De gelijkwaardigheid voor ventilatiesystemen resulteert voor de EPG in een aangepaste correctiefactor voor het regelsysteem freg en een aangepaste luchtvolumestroomfactor fsys. Voor de warmteverliesberekening is qvbuild van belang.

Omschrijving

  • Warmteverlies
  • EPG

Opgave van een omschrijving betreffende gelijkwaardigheidsverklaring welke ook wordt opgenomen in de rapportages.

Luchtvolumestroomfactor (fsys)

  • EPG

Opgave van de luchtvolumestroomfactor fsys volgens het gelijkwaardigheidsrapport welke de forfaitaire luchtvolumestroomfactor volgens tabel 2 NEN 8088-1:2012 vervangt.

Correctiefactor regelsysteem (freg)

  • EPG

Opgave van de correctiefactor van het regelsysteem freg volgens het gelijkwaardigheidsrapport welke de forfaitaire correctiefactor volgens tabel 2 NEN 8088-1:2012 vervangt.

Reductiefactor volumestroom (qvbuild)

  • Warmteverlies

Opgave van de reductiefactor op de qvbuild van een vraag gestuurd ventilatiesysteem volgens het gelijkwaardigheidsrapport welke de forfaitaire waarde uit de ISSO vervangt. Voor warmteverlies heeft dit invloed op het bepalen van het aansluitvermogen. In onderstaande afbeelding zijn standaard reductiefactoren met bijbehorende systemen gegeven.

Publicaties

ISSO Publicatie 51 & ISSO Publicatie 53 (2017), paragraaf 5.1.1

Warmteverlies door buitenluchttoetreding

NEN 8088-1, paragraaf 5.5.2.2.1

Werkelijk opgestelde vermogen voor gehele gebouwen

 

Verwarmingsbatterij koelbatterij

De batterijspecificaties dienen volgens de producteigenschappen afkomstig van de leverancier ingevoerd te worden. Het weergegeven scherm hierboven is voor een koelbatterij, maar geldt buiten de RV ook voor de verwarmingsbatterij.

Verwarmingsbatterij/koelbatterij aanwezig

  • Gebouwsimulatie
  • Warmteverlies
  • EPG

Is er in het ventilatiesysteem een verwarmingsbatterij dan wel een koelbatterij aanwezig kan dit hier worden aangegeven.

Thermisch vermogen

  • Gebouwsimulatie
  • Ongelimiteerd: Met deze keuze wordt ervan uitgegaan dat de verwarmings- of koelbatterij een onbeperkt vermogen heeft. Er gelden dan ook geen maximale temperaturen voor de wateraanvoer en –afvoer.
  • Eigen waarde (gelimiteerd): Hier kan het totale thermische vermogen worden opgegeven. Het moet in ieder geval kloppen met het debiet dat bij de toevoerventilator is opgegeven. Het gaat hier dus om het vermogen van de batterij (voelbaar + latent) zoals deze in de LBK geplaatst wordt.
Bij een gebouwsimulatieberekening wordt via een deelfractie met de juiste ventilatiehoeveelheid (voor de door te rekenen vertrekken) gerekend. De deelfractie voor de koelbatterij wordt bepaald aan de hand van de deelfractie voor de ventilatie. Het thermisch vermogen wordt bepaald bij de op te geven wateraanvoertemperatuur, waterretourtemperatuur, luchttemperatuur en de relatieve vochtigheid aan de ingang en aan de uitgang. Indien het vermogen alleen wordt gebruikt om een inblaastemperatuur te realiseren, moet er voldoende vermogen (2 kW per 100 m³ lucht, het opgeven van 99999 kW kan tot kleine onnauwkeurigheden leiden t.g.v. het zeer grote debiet) aanwezig zijn. De defaultwaarden voor wateraanvoer-, waterretourtemperatuur en luchtcondities kunnen dan ongewijzigd worden overgenomen.

Specificaties

  • Gebouwsimulatie

Indien er wordt gerekend met een gelimiteerd thermisch vermogen, kunnen temperatuurspecificaties aangegeven worden.

Wateraanvoer

  • Gebouwsimulatie

Dit is de wateraanvoertemperatuur waarbij het thermisch vermogen is bepaald en geeft de temperatuur van de aanvoer van het water weer, die gebruikt wordt voor de koeling of verwarming. De wateraanvoertemperatuur waar het programma mee rekent wordt bepaald door de Temperaturen van het gekoppelde Distributie.

Waterafvoer

  • Gebouwsimulatie

Dit is de waterretourtemperatuur waarbij het thermisch vermogen is bepaald en geeft de temperatuur van de afvoer van het water weer, die overblijft na de koeling of verwarming. Dit wordt gebruikt om het waterdebiet door de batterij te bepalen.

Lucht ingang

  • Gebouwsimulatie

Luchtaanvoertemperatuur waarbij het maximale thermisch vermogen is bepaald. De luchtaanvoertemperatuur is normaal de buitentemperatuur, of in geval van warmteterugwinning / recirculatie wordt dit door het gebouwsimulatiemodel zelf berekend.

Waarvan RV

  • Gebouwsimulatie

De vochtcondities aan de ingang zijn van belang voor de specificatie, omdat in het geval van ontvochtiging voor een groot deel het vermogen en daarmee de effectiviteit van de koelbatterij wordt bepaald.

Lucht uitgang

  • Gebouwsimulatie

Luchttemperatuur na de batterij waarbij het thermisch vermogen is bepaald. Dit wordt samen met de intrede temperatuur gebruikt om het luchtdebiet over de batterij te bepalen. Gebouwsimulatie rekent met een luchtstooklijn.

Waarvan RV

  • Gebouwsimulatie

De vochtcondities aan de uitgang zijn van belang voor de specificatie, omdat in het geval van ontvochtiging voor een groot deel het vermogen en daarmee de effectiviteit van de koelbatterij wordt bepaald.

Let op: Bovenstaande temperaturen betreffen de (maximale) vermogensspecificaties van de koel- en/of verwarmingsbatterij zelf. De daadwerkelijke temperaturen (of stooklijnen) waarmee gerekend wordt, worden bepaald in het gekoppelde distributienet.

Distributienet

  • Gebouwsimulatie

Hiermee selecteer je binnen de projectbibliotheek (het project) een distributienet welke op zijn beurt weer is gekoppeld aan een opwekkingsconfiguratie en een opwekker die de warmte of koude kan leveren aan de batterij.

Warmteterugwinning

Het verwarmen van ventilatielucht die van buiten afkomstig is, kost energie. Door de hoeveelheid toegevoerde ventilatielucht af te stemmen op de ventilatiebehoefte, kan veel energie worden bespaard. Met warmteterugwinning kan de warmte uit afvoerlucht worden gebruikt als voorverwarming van de toevoerlucht.
Warmteterugwinning is alleen mogelijk wanneer je zowel mechanische toevoer- als mechanische afvoer hebt geselecteerd.

WTW aanwezig

  • Gebouwsimulatie
  • Warmteverlies
  • EPG

Is er in het ventilatiesysteem warmteterugwinning (WTW) aanwezig dan kan dit hier worden opgegeven.

Decentrale WTW

  • Warmteverlies
  • EPG

Is er in het ventilatiesysteem decentrale WTW aanwezig dan kan dit hier worden opgegeven. Decentrale WTW zijn bijvoorbeeld climarad systemen.

WTW in combinatie met natuurlijke toevoer (systeem E)

  • Warmteverlies
  • EPG

Is er in het ventilatiesysteem decentrale WTW opgegeven, kan hier worden aangegeven dat systeem E wordt toegepast. Systeem E kan alleen worden toegepast in de woningbouw; het doorrekenen van een utiliteitsgebouw met systeem E is niet mogelijk.

Rendement

  • Gebouwsimulatie
  • Warmteverlies
  • EPG

Hier kan het thermisch forfaitair rendement opgegeven worden. Er kan een keuze gemaakt worden uit voorgedefinieerde typen volgens NEN 7120.

Publicaties

ISSO Publicatie 51 & ISSO Publicatie 53 (2017), Bijlage C en ISSO Publicatie 57 (2017), bijlage D

Opbrengst van warmteterugwinning.

NEN 8088-1, paragraaf 6.3.2.2

Voorverwarming toevoer via WTW-installatie

Soorten WTW systeem

Soort systeem
Thermisch Rendement
Omschrijving

Eigen waarde
Hier kan zelf het thermisch (forfaitair) rendement van de warmteterugwinning opgegeven worden. Een eigen waarde moet ‘overlegd’ worden voor gelijkwaardigheid. De waarde wordt afgerond naar een veelvoud van 0,05.

Koude opslag met warmtepomp
40%

Platen- of buizen-warmtewisselaar
65%
Een platenwarmtewisselaar (kruisstroomwisselaar of twee-elementensysteem) bestaat uit vlakke en gegolfde platen aluminium of roestvrijstaat die afwisselend vlak en gegolfd zijn uitgevoerd. Langs deze platen stroomt toevoer- en afvoerlucht. De toe- en afvoerstromen zijn strikt gescheiden van elkaar. Daarom is er geen vochtterugwinning uit de retourlucht.

Kruisstroomwisselaar
55%

Twee-elementsysteem
60%
Twin Coil

Heat pipe
60%

Warmtewiel
70%
Een warmtewiel, ofwel een langzaam roterende, intermitterende warmtewisselaar is gebaseerd op het principe dat een warmte accumulerend element in de vorm van een wiel, opgebouwd uit kleine aluminium buisjes, afwisselend door de in- en de uitgaande luchtstroom wordt gevoerd. De dikte van het warmtewiel, dat vaak uit aluminium bestaat, bepaalt in belangrijke mate de warmtecapaciteit.

Het warmtewiel draait met een snelheid variërend van 1 tot ca. 10 omwentelingen per minuut. Door het toerental van het warmtewiel te variëren en te regelen kan de temperatuur van de toevoerlucht redelijk constant worden gehouden. De uitgaande warme ventilatielucht wordt door de aluminium buisjes gevoerd, die de temperatuur van de af te voeren lucht aannemen. Het draaiende wiel voert de buisjes vervolgens door de binnenkomende buitenlucht. De verse buitenlucht wordt door de warmteafgifte van de buisjes opgewarmd. In de zomer kan bij kantoren met een koelsysteem hetzelfde systeem gebruikt worden om de ingaande warme buitenlucht voor te koelen met behulp van de relatief koude binnenlucht.

Enthalpie-warmtewisselaar
75%

Tegenstroom-warmtewisselaar aluminium
75%

Tegenstroom-warmtewisselaar kunststof
80%

 

Vochtterugwinning aanwezig

  • Warmteverlies

Keuzemogelijkheid wanneer type WTW Warmtewiel of Enthalpiewarmtewisselaar.

Vorstbeveiliging

  • Warmteverlies

Keuzemogelijkheid wanneer type WTW is anders dan Enthalpiewarmtewisselaar. Deze optie is toepasbaar voor de Warmteverliesnormen van 2017.

Publicaties

ISSO Publicatie 51 & ISSO Publicatie 53 (2017), 

Vorstbeveiliging

 

Temperatuur na terugwinning

  • Warmteverlies

Hier geef je de temperatuur na WTW op welke wordt gebruikt voor de warmteverliesberekening. Is in het systeem alleen WTW aanwezig, wordt met deze temperatuur ingeblazen in de ruimten, tenzij er een opwarming door de ventilator is opgegeven welke niet in het rendement van de WTW is opgenomen; hierbij wordt de opwarming van de ventilatoren opgeteld bij de temperatuur na WTW.

Publicaties

ISSO Publicatie 51 & ISSO Publicatie 53 (2017), ISSO publicatie 57

Specifiek warmteverlies ten gevolge van ventilatie

 

Afwijkende correctiefactor

  • EPG

Standaard wordt gerekend met een correctiefactor van 0,8 (praktijkrendementcorrectiefactor) bovenop het rendement van de WTW. Deze correctiefactor wordt in rekening gebracht voor onder meer onbalans en lucht- of warmtelekken. Wordt van de standaard correctiefactor van 0,8 afgeweken moet dit wel ontleend zijn aan metingen of berekeningen zoals aangegeven in bijlage C NEN 8088.

Publicaties

NEN 8088-1, paragraaf 6.3.2.2

Bepaling van de praktijkrendementcorrectiefactor van een WTW-installatie

 

Toevoerkanaal geïsoleerd

  • EPG

Opgave van isolatie van het kanaaldeel dat zich binnen de gebouwschil bevindt.

Publicaties

NEN 8088-1, paragraaf 6.3.2.2

Bepaling van de praktijkrendementcorrectiefactor van een WTW-installatie

 

Constant-volumeregeling WTW

  • Warmteverlies

Opgave of het WTW-systeem een constant-volumeregeling heeft voor het compenseren van drukveranderingen door de toe- en afvoerventilator bij te regelen.; de regeling moet bij alle schakelstanden van de ventilatie actief zijn.

Publicaties

NEN 8088-1, paragraaf 6.3.2.2

Bepaling van de praktijkrendementcorrectiefactor van een WTW-installatie

 

De ventilatordissipatie is opgenomen in het rendement van de WTW

  • Gebouwsimulatie
  • Warmteverlies
  • EPG

Indien de ventilatordissipatie (opwarming van de ventilatielucht door de ventilator) is opgenomen in het rendement van de WTW wordt de eventueel opgegeven opwarming van de ventilator niet meer extra in rekening gebracht.

Publicaties

NEN 8088-1, paragraaf 17.4.3

Centrale luchtbehandeling – Rekenwaarden

 

Bypass EPG

  • EPG

Hier kan worden aangegeven, voor de module EPG, of de WTW gebruik maakt van een (gedeeltelijke) bypass. Met een bypass kan de koele buitenlucht in de zomermaanden, zonder door de WTW te worden naverwarmd, het gebouw afkoelen en dit heeft een gunstig effect op de EPC.

Publicaties

NEN 8088-1, paragraaf 5.6.2

Spuiventilatie bij de categorie woningbouw

 

Bypass GS

  • Gebouwsimulatie

Hier kan worden aangegeven, voor de module Gebouwsimulatie of de WTW gebruik maakt van een bypass. Met een bypass kan de koele buitenlucht in de zomermaanden, zonder door de WTW te worden naverwarmd, het gebouw afkoelen en dit heeft een gunstig effect.

Verdampingskoeling (Adiabatische koeling)

Verdampingskoeling aanwezig

  • Gebouwsimulatie

Met de optie adiabatische koeling is het mogelijk om berekeningen te doen waarbij gebruik gemaakt wordt van adiabatische koeling. Adiabatische koeling kan op verschillende manieren worden gerealiseerd.

Type

  • Gebouwsimulatie

Hier kan worden aangegeven welke type verdampingskoeling aanwezig is wanneer er gekozen is voor verdampingskoeling. Op dit moment zijn de volgende keuzemogelijkheden aanwezig:

  • Buitenlucht effectiviteit WW: Indirecte verdampingskoeling, dit type is gebaseerd op koeling van de buitenlucht door bevochtiging. Met behulp van een warmtewisselaar wordt met de gekoelde verzadigde buitenlucht de toevoerlucht voor de luchtbehandeling voorgekoeld.
  • Oxycom dauwpuntskoeler: Dit is een efficiënte, compacte en lichtgewicht warmtewisselaar die (dauwpunt)koeling combineert met hoog rendement warmteterugwinning. De gebruikte technologie hierbij is de OXYCELL technologie. Deze technologie zorgt voor koeling op een volledig natuurlijke wijze en maakt geen gebruik van koelgassen.

Rendement

  • Gebouwsimulatie

Wanneer gekozen is voor het type Buitenlucht effectiviteit WW kun je hier het rendement van het systeem opgeven.

Recirculatie (mengsectie)

Recirculatie aanwezig

  • Gebouwsimulatie
  • EPG

Hier kan worden aangegeven of in het systeem recirculatie wordt toegepast.

Voor de energieprestatie berekening EPG wordt de recirculatie alleen meegenomen indien er wordt gerekend met de werkelijk geïnstalleerde ventilatiecapaciteit; indien in het sjabloon Ventilatie is de optie “De geïnstalleerde ventilatiecapaciteit is hoger dan het Bouwbesluit voorschrijft” is aangevinkt wordt recirculatie in EPG volgens de norm niet meegenomen.

Minimum buitenlucht

  • Gebouwsimulatie
  • EPG

Bij toepassing van recirculatie kan hier worden aangegeven welk deel van de toe te voeren lucht bestaat uit verse buitenlucht (het overige deel is retourlucht). Onafhankelijk van de ingevulde buitenluchttemperatuur wordt altijd dit minimum aangehouden.
Voor de energieberekening EPG moet met het aandeel verse buitenlucht wel worden voldaan aan de minimale ventilatie-eis.

Als buitenlucht <

  • Gebouwsimulatie

Hier wordt de maximale buitenluchttemperatuur opgegeven. Als de buitenlucht onder deze temperatuur komt, gaat de berekening kijken of meer buitenlucht toevoeren energetisch voordeliger is en dan wordt deze gunstigere hoeveelheid aangehouden. Boven deze buitentemperatuur wordt het ingevulde minimum percentage aangehouden.

Bevochtiging en ontvochtiging

Bevochtiging/ontvochtiging aanwezig

  • Gebouwsimulatie
  • EPG

Hier kan er gekozen worden of er met een bevochtiger/ontvochtiger gerekend moet worden. In dit scherm kunnen de productgegevens van de luchtontvochtiger opgegeven worden. Het gaat hier dus om een specificatie van de koeler. Uit het opgegeven thermisch vermogen dat afgegeven kan worden bij een bepaalde wateraanvoertemperatuur, luchtaanvoertemperatuur en vochtcondities wordt de effectiviteit van de batterij bepaald. Het rekenprogramma is dan ook onder andere condities (luchthoeveelheden, aanvoertemperaturen, vochtgehalten) in staat het maximum thermisch vermogen te bepalen. De werkelijke luchthoeveelheden (onder de opgegeven bedrijfsomstandigheden) worden gespecificeerd bij de toevoerventilator, de aanvoertemperaturen bij de stooklijnen voor water en lucht. De koeler / ontvochtiger wordt geregeld op temperatuur en vocht.

Setpoint RV

  • Gebouwsimulatie

Hier kun je opgeven wanneer het systeem de lucht moet bevochtigen/ontvochtigen. Als de relatieve luchtvochtigheid voor bevochtigen onder en voor ontvochtigen boven dit setpoint komt, treedt dit onderdeel in werking.
De vochtcondities zijn van belang, omdat in het geval van ontvochtiging voor een groot deel het vermogen en daarmee de effectiviteit van de koelbatterij te bepalen zijn.
De relatieve vochtigheid wordt geregeld op het Regelvertrek.

Publicaties

ISSO Publicatie 32 (2011), paragraaf 5.3

Ontwerpcriteria voor vochtigheid

 

Type

  • EPG

Het type bevochtiger geldt alleen voor de energie prestatie .
Bij de keuze stoom elektrisch wordt voor de energieprestatie berekening EPG de energiedrager elektriciteit gebruikt om de energie voor bevochtiging te leveren, voor de overige keuzen levert het verwarmingssysteem met de opwekkers en energiedragers de benodigde energie.

  • Stoom gas: Via een gaatjesbuis wordt stoom in de lucht geblazen, die in één of meer kleine gasketels wordt opgewekt. Dit kan door het verdampen van water.
    Deze apparaten verhitten met een met gas gevoed verwarmingselement het water, om de hierbij verkregen damp gecontroleerd bij de lucht te voegen.
  • Stoom elektrisch: Via een gaatjesbuis wordt stoom in de lucht geblazen, die in één of meer kleine elektrische ketels wordt opgewekt. Dit kan door het verdampen van water.
    Deze apparaten verhitten met een elektrisch verwarmingselement het water, om de hierbij verkregen damp gecontroleerd bij de lucht te voegen.
  • Ultrasonisch: Bij deze methode vindt verstuiving van water plaats door middel van ultrasoontrillingen in aerosolen. De aanwezige lucht in het kanaal waarin deze trillingen plaatsvinden neemt de nevel snel op. Via een ventilator vindt luchtverplaatsing plaats. De bevochtigingsgraad kan met deze wijze van bevochtiging hoog worden.
  • Adiabatisch: Adiabatisch betekent letterlijk: zonder warmte-uitwisseling met de omgeving. In een adiabatisch proces is er dus geen sprake van warmteoverdracht maar compressie leidt tot opwarming en expansie tot afkoeling.

Vochtterugwinning aanwezig

  • EPG

Als er vochtterugwinning wordt toegepast, kan dit hier worden opgegeven. Bij vochtterugwinning wordt een reductie op de energiebehoefte voor bevochtigen in rekening gebracht, zie par. 18.2 NEN 7120.

Publicaties

NEN 7120, paragraaf 18.2

Bepaling energiegebruik voor bevochtiging  – rekenregels

 

Regeling

Mechanische regeling

  • EPG

De mechanische regeling van de ventilatie kan hier worden opgegeven. Afhankelijk van onder andere deze regeling wordt bovenin het scherm de Ventilatieregeling weergegeven zoals deze wordt toegepast voor de energieprestatieberekening EPG; zie hiervoor tabellen 2 en 5 NEN 8088.

Publicaties

NEN 8088-1, paragraaf 5.5.2.2.1

Systeemgerelateerde ventilatie bij warmte-en koudebehoefte – Tabel 2

NEN 8088-1, paragraaf 5.6.2

Spuiventilatie bij de categorie woningbouw

 

Ventilatie in nachtstand tijdens opwarmen gebouw

  • Warmteverlies

Bij gebouwen met mechanische toevoer van ventilatielucht kan er worden gerekend met de ventilatie in een nachtstand tijdens het opwarmen van het gebouw. De ventilatie in nachtstand houdt voor woningbouw in dat deze op halve capaciteit staat, voor utiliteitsbouw houdt dit in dat deze uit staat.

Voor het (eventueel) opwarmen van deze ventilatielucht is reeds vermogen in rekening gebracht; dit vermogen wordt (deels voor woningbouw) tijdens het opwarmen van het gebouw niet gebruikt en kan dus worden ingezet voor het opwarmen van het gebouw. Hierdoor wordt het vermogen voor het opwarmen van de ventilatielucht (deels voor woningbouw) in mindering gebracht op het in de ruimte te installeren vermogen.

Voor de warmteverliesberekening is het altijd veiliger niet te rekenen met de ventilatie in de nachtstand tijdens het opwarmen van het gebouw.

Publicaties

ISSO Publicatie 51 (2017), paragraaf 4.8.4

Toe te rekenen toeslag voor bedrijfsbeperking

ISSO Publicatie 53 (2012), paragraaf 4.8.3

Toe te rekenen toeslag voor bedrijfsbeperking

 

Voorwaardelijke nachtverwarming

  • Gebouwsimulatie

De centrale luchtbehandelingsinstallatie wordt voor de voorwaardelijke nachtelijke verwarming geregeld op basis van condities in het Regelvertrek. Indien de vertrektemperatuur in de te berekenen ruimte lager wordt dan de aanschakeltemperatuur treedt de nachtelijke verwarming in werking. Er wordt dan overgeschakeld naar het debiet bij voorwaardelijke nachtverwarming. Voorwaardelijke nachtelijke verwarming met ventilatielucht is alleen mogelijk als:

  • Er bij Ventilatie een debiet voor voorwaardelijke nachtventilatie is opgegeven;
  • Het debiet bij voorwaardelijke nachtventilatie groter is dan bij het debiet bij (normale) nachtventilatie;
  • Er in het afgiftesjabloon een nachtbedrijf ingesteld is.

Indien er voor voorwaardelijke nachtverwarming wordt gekozen, worden de stooklijn voor de nacht aangehouden. Deze stooklijnen, het nachtbedrijf van zowel van Distributie als Luchtbehandeling, moeten dan wel opgegeven zijn.

AAN als binnenluchttemperatuur <

Dit is de ruimtetemperatuur waarbij de luchtverwarmer en ventilatoren aangaan. Wanneer het in het Regelvertrek.kouder dan deze temperatuur is, treedt er nachtverwarming op. Dit wordt ook wel de aanschakeltemperatuur genoemd. Deze instelling wordt pas zichtbaar indien er voor voorwaardelijke nachtverwarming is gekozen.

UIT als binnenluchttemperatuur >

[°C] Standaard 17 °C GS
Dit is de ruimtetemperatuur waarbij de luchtverwarmer en ventilatoren uitgaan. Wanneer het in de ruimte warmer is dan deze temperatuur, treedt er geen nachtverwarming op. Dit wordt ook wel de uitschakeltemperatuur genoemd. Deze instelling wordt pas zichtbaar indien er voor voorwaardelijke nachtverwarming is gekozen.

Voorwaardelijke nachtkoeling

  • Gebouwsimulatie

In dit scherm kun je opgeven of de nachtelijke koeling geleverd wordt d.m.v. inname van extra buitenlucht en/of door de centrale luchtkoeler. De centrale luchtbehandelingsinstallatie wordt voor de voorwaardelijke nachtelijke koeling geregeld op basis van condities in het Regelvertrek. Indien de vertrektemperatuur in de te berekenen ruimte lager wordt dan de aanschakeltemperatuur en het temperatuurverschil (binnen-buiten) is groter dan opgegeven, treedt de nachtelijke koeling in werking. Er wordt dan overgeschakeld naar het debiet bij voorwaardelijke nachtkoeling. Voorwaardelijke nachtelijke koeling met ventilatielucht is alleen mogelijk als:

  • Er bij Ventilatie een debiet voor voorwaardelijke nachtventilatie is opgegeven;
  • Het debiet bij voorwaardelijke nachtventilatie groter is dan bij het debiet bij (normale) nachtventilatie;
  • Er in het afgiftesjabloon een nachtbedrijf ingesteld is.
AAN als binnenluchttemperatuur >|

Dit is de ruimtetemperatuur waarbij de luchtkoeler en ventilatoren aangaan. Wanneer het in het Regelvertrek warmer dan deze temperatuur is, treedt er nachtkoeling op. Dit wordt ook wel de aanschakel-temperatuur genoemd. Deze instelling wordt pas zichtbaar indien er voor voorwaardelijke nachtkoeling is gekozen.

En buitenluchttemperatuur >|

Dit is de buitenluchttemperatuur waarbij de luchtkoeler en ventilatoren aangaan. Wanneer het buiten het gebouw warmer dan deze temperatuur is, treedt er nachtkoeling op. Deze instelling wordt pas zichtbaar indien er voor voorwaardelijke nachtkoeling is gekozen.

En verschil tussen binnen- en buitenlucht >

Voorwaardelijke nachtkoeling mag alleen aangaan indien het verschil tussen de ruimtetemperatuur en de buitenluchttemperatuur groter is dan een bepaald minimum. Voor wat betreft de ruimtetemperatuur wordt steeds gekeken naar de temperatuur aan het eind van het vorige uur. Deze instelling wordt pas zichtbaar indien er voor voorwaardelijke nachtkoeling is gekozen.

UIT als binnenluchttemperatuur <

Dit is de ruimtetemperatuur waarbij de luchtkoeler en ventilatoren uitgaan. Wanneer het in de ruimte koeler is dan deze temperatuur, treedt er geen nachtkoeling op. Dit wordt ook wel de uitschakel-temperatuur genoemd. Deze instelling wordt pas zichtbaar indien er voor voorwaardelijke nachtkoeling is gekozen.

Luchtdistributie

Luchtkanalen aanwezig

  • EPG

Voor het ventilatiesysteem kan worden aangegeven of er luchtkanalen aanwezig zijn. Hiermee kan worden aangegeven of de lucht centraal of decentraal wordt toegevoerd of afgezogen. Bij een centraal systeem met luchtkanalen wordt afhankelijk van de luchtdichtheidsklasse van de luchtkanalen, een correctie toegepast op de in rekening te brengen ventilatiecapaciteit.

Luchtkanalen inpandig of binnen het gebouw

  • EPG

Voor de energieprestatieberekening EPG kan hier worden aangegeven voor woningbouw of de luchtkanalen binnen het gebouw liggen. Dit wordt alleen gevraagd indien luchtkanalen aanwezig zijn en er een verwarmingsbatterij in het systeem aanwezig is; mede hiermee wordt het distributierendement bepaald voor het verwarmingssysteem, zie tabel 14.2 NEN 7120. Voor utiliteitsbouw heeft dit geen invloed.

Publicaties

NEN 7120, paragraaf 14.3.3.1

Rekenwaarden intern distributierendement

 

Geïsoleerde luchtkanalen

  • EPG

Voor de energieprestatieberekening EPG kan hier worden aangegeven voor zowel woningbouw als utiliteitsbouw of de luchtkanalen zijn geisoleerd of niet. Dit wordt alleen gevraagd indien luchtkanalen aanwezig zijn en er een verwarmingsbatterij in het systeem aanwezig is; mede hiermee wordt het distributierendement bepaald voor het verwarmingssysteem, zie tabellen 14.2 en 14.5 NEN 7120.

Publicaties

NEN 7120, paragraaf 14.3.3.1

Rekenwaarden intern distributierendement

Luchtdichtheidsklasse

  • EPG

De luchtdichtheidsklasse van de luchtkanalen in het systeem kunnen hier worden opgegeven. Dit wordt alleen gevraagd indien er luchtkanalen aanwezig zijn. Afhankelijk van de opgegeven klasse wordt een correctie toegepast op de in rekening te brengen ventilatiecapaciteit, zie tabel 4 NEN 8088.

De toelaatbare luchtlekkage van appendages wordt volgens de norm NEN-EN 1751 gerelateerd aan luchtdichtheidsklassen (A, B, C en D). Klasse D is het meest luchtdicht. Om de gewenste luchthoeveelheid te behalen, zal een ventilator meer dan 20% meer lucht moeten blazen in een kanaal dat voldoet aan luchtdichtheidsklasse A dan in een kanaal dat voldoet aan luchtdichtheidsklasse C.

Publicaties

NEN 8800, paragraaf 5.5.3

Correctie voor luchtlekken in ventilatiekanalen, tabel 4

 

Plaatsing inblaas

  • EPG

Voor woningbouw kan voor de energieprestatie berekening worden aangegeven of er centrale inblaas of inblaas aan de gevels wordt toegepast, zie tabel 14.2 NEN 7120. Dit wordt alleen gevraagd indien er luchtkanalen aanwezig zijn en er een verwarmingsbatterij is opgegeven. Mede afhankelijk van de inblaas wordt het distributierendement van het verwarmingssysteem bepaald.

Publicaties

NEN 7120, paragraaf 14.3.3.1

Rekenwaarden intern distributierendement

 

Temperaturen

  • Gebouwsimulatie
  • Warmteverlies

De stooklijnen zijn bij een luchtbehandelingskast van belang ter optimalisatie en energieterugdringing. Bij temperaturen geef je aan hoe de stooklijn geregeld wordt. Dit kan geschieden door de volgende mogelijkheden:

  • Standaard; deze instelling gaat uit van een constante temperatuur voor dag- en nachtbedrijf van standaard 18°C;
  • Constant; met een constante; een zelf gedefinieerde temperatuur voor dag- en nachtbedrijf, standaard 18 à 19 °C.
  • Buitenlucht; door middel van een curve. Per waarde van de buitentemperatuur (Tbuiten) kan een waarde van inblaaslucht (Tlucht) opgegeven worden. Dit kan zowel voor het dag- als nachtbedrijf. Voor meer informatie betreft optimalisatie van stooklijnen verwijzen we naar ISSO 68.
  • Retourlucht; door middel van een curve. Per waarde van de retourtemperatuur (Tretour) kan een waarde van de inblaaslucht (Tlucht) opgegeven worden. Dit kan zowel voor het dag- als nachtbedrijf.
Publicaties

ISSO Publicatie 68 (2002)

Energetisch optimale stook- en koellijnen voor klimaatinstallaties in kantoorgebouwen

 


Terug naar de Hulpmiddelen