Deze pagina is nog in ontwikkeling

Algemeen

Bouwjaar en renovatiejaar

Het bouwjaar en het renovatiejaar worden gebruikt om de infiltratie te bepalen. Als een gemeten qv,10-waarde (zie paragraaf 8.1.3.1 ) beschikbaar is, dan wordt die uiteraard gebruikt en anders wordt de infiltratie bepaald op basis van het bouwjaar, het renovatiejaar of het jaar waarin energiebesparende bouwkundige maatregelen zijn getroffen die invloed hebben op de infiltratie (zie paragraaf 8.1.3.2).

Uit het opnameprotocol, paragraaf 8.1.3.2, zie publicaties hieronder.

Als de luchtdichtheid van het gebouw niet bekend is, dan moet het bouwjaar van het betreffende gebouw worden gebruikt. Soms mag ook het renovatiejaar worden gebruikt. Dat kan alleen als bij minimaal 90% van de oppervlakte van de totale bouwkundige schil van de rekenzone energiebesparende bouwkundige maatregelen zijn uitgevoerd. De hier bedoelde bouwkundige schil is de schil grenzend aan de buitenlucht (dus niet grenzend aan grond en kruipruimte, zie ook het beslisschema in afbeelding 8.2).

Onder de bouwkundige schil vallen de gevels met daarin opgenomen ramen (beglazing en kozijn), deuren en panelen en het eventueel aanwezige dak.

Er is sprake van energiebesparende bouwkundige maatregelen als er maatregelen zijn genomen om de luchtdichtheid van het gebouw te verbeteren. Dat kunnen maatregelen zijn als het aanbrengen van isolatiemateriaal (gevel en dak), het vervangen van kozijnen, het vervangen van glas, het aanbrengen van dichting bij ramen en het aanbrengen van uitzetband (bijvoorbeeld compriband) bij kozijnen. Zie ook het beslisschema in afbeelding 8.1.

Als er isolatiemateriaal is aangebracht, zijn de Rc-waarde en U-waarde niet van belang, de Rc-waarde en U-waarde worden elders bij de bouwkundige gegevens ingevoerd.

Volg het beslisschema van afbeelding 8.1 om te beoordelen of het renovatiejaar gebruikt mag worden.

Als het renovatiejaar niet van toepassing is, omdat deze niet aan de gestelde criteria voldoet, laat het veld dan leeg in Vabi EPA.
Renovatiejaar onbekend

Als het renovatiejaar van toepassing is, maar het jaar is niet bekend dan moet het eerste jaar uit de volgende hogere klasse (één klasse hoger dan die van het oorspronkelijke bouwjaar) worden aangehouden, zie tabel 8.3. Voorbeeld: het bouwjaar van het gebouw is 1965, er is sprake van energiebesparende bouwkundige maatregelen, maar er is niet te achterhalen wat het renovatiejaar is geweest. Dan wordt 1970 aangehouden als jaar van energiebesparende bouwkundige maatregelen.

Er wordt onderscheid gemaakt in onderstaande jaarklassen.

Tabel 8.3 Categorieën jaarklassen

Jaarklassen (J)
J < 1970
1970 ≤ J < 1980
1980 ≤ J < 1990
1990 ≤ J < 2000
2000 ≤ J < 2010
J ≥ 2010

Het maakt dus niet uit of 1992 of 1998 als jaar wordt aangehouden, beide jaren liggen in dezelfde jaarklasse.

Als het renovatiejaar van toepassing is, maar het volledige dak en de volledige gevel van de woning zijn in verschillende perioden geïsoleerd, dan is het jaar van het dak leidend. Voorbeeld: bij de gevels zijn in 1984 energiebesparende maatregelen uitgevoerd en bij het dak is dat in 1992 gebeurd. Als jaar wordt dan 1992 aangehouden.
Als de energieprestatie van een woning zonder dak (tussenwoning in appartementsgebouw) wordt bepaald dan is de gevel maatgevend voor het jaar. Wanneer de energiebesparende maatregelen bij de kozijnen en de rest van de gevel in verschillende jaren zijn uitgevoerd, wordt het oudste jaar aangehouden.

Om de energiebesparende bouwkundige maatregelen te bewijzen, moeten facturen of tekeningen aanwezig zijn. Facturen moeten zijn voorzien van het adres/de bouwlocatie, bij tekeningen moet worden nagegaan of deze overeenkomen met de werkelijk aangetroffen situatie.

Publicaties
ISSO 75.2 paragraaf 8.1.3.2
Infiltratie o.b.v. het renovatiejaar Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 8.1.3.2
Infiltratie o.b.v. het renovatiejaar Woningbouw

Qv10 gemeten

Als een gemeten qv,10-waarde (zie paragraaf 8.1.3.1 ) beschikbaar is, dan wordt deze gebruikt en anders wordt de infiltratie bepaald op basis van het bouwjaar, het renovatiejaar of het jaar waarin energiebesparende bouwkundige maatregelen zijn getroffen die invloed hebben op de infiltratie (zie paragraaf 8.1.3.2).

Uit het opnameprotocol, paragraaf 8.1.3.1, zie publicaties hieronder.

Ga na of de luchtdichtheid (qv,10-waarde) van de betreffende rekenzone met een blowerdoortest is gemeten. Luchtdichtheid van de betreffende rekenzone moet zijn bepaald met een zogeheten blowerdoormeting of opblaasproef conform NEN 2686 (1988) inclusief aanvullingsblad A2 (2008).
De meting moet zijn uitgevoerd door een onafhankelijke partij.

Er moet een meetrapport beschikbaar zijn waarin de volgende aspecten zijn vermeld:

  • Adres van het betreffende gebouw/de woning.
  • Persoon/bedrijf die/dat de meting heeft uitgevoerd.
  • Meting is uitgevoerd conform de NEN 2686 (1988) inclusief aanvullingsblad A2 (2008).
  • Datum van de meting.
  • De gemeten qv,10-waarde in dm³/(s·m²).

Als de qv,10 in andere eenheden is vermeld, moet deze worden omgerekend naar dm³/(s·m²).

De meting mag maximaal één jaar oud zijn. Aan deze voorwaarde van een jaar hoeft niet te worden voldaan als de gemeten qv,10-waarde eerder in een energieprestatieberekening is gebruikt en is afgemeld bij RVO, en er daarna geen bouwkundige wijzigingen in de thermische schil van het gebouw zijn aangebracht.

Als een woning of gebouw (object) uit meerdere rekenzones bestaat en de blowerdoortest is uitgevoerd voor het hele gebouw, dan mag de qv,10-waarde voor alle rekenzones van het gebouw worden gebruikt.
Steekproef bij woningbouw

Het is toegestaan om bij de qv,10-waardemeting een steekproef te gebruiken. De steekproef moet voldoen aan de volgende voorwaarden voor zowel appartementen als eengezinswoningen:

  • Bij minimaal 10% (aantal) van elk woningtype met een afwijkende woningpositie dat voorkomt in hetzelfde project op dezelfde locatie/bouwproject moet de qv,10-waarde worden bepaald. Als er sprake is van een project waarbij meerdere aannemers betrokken zijn, geldt de 10% voor de woningen van elke aannemer. Er geldt voor de steekproefgrootte een ondergrens van 1. Van elk woning(sub)type op elke woningpositie moet er minimaal 1 woning worden gemeten. Er moet voor de bepaling van de steekproefgrootte altijd naar boven worden afgerond; bij 44 woningen wordt de steekproefgrootte dus 5 woningen.
  • De keuze om een woning voor de steekproef te selecteren moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
    • selecteer de woningen alfabetisch op straatnaam of in geval van dezelfde straatnaam op nummer;
    • neem de eerste woning uit de eerste straat of het eerste nummer;
    • neem vervolgens iedere N/n-e woning, afgerond naar boven of onder. Hierbij geldt dat: N = omvang woningcluster n = de steekproef van het aantal woningen.
  • Als een woning in de praktijk niet kan worden bezocht, is het toegestaan om de woning ervoor of de woning erna te controleren.

Indien er meerdere appartementsgebouwen worden gebouwd/gerenoveerd zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

  • Appartementenblokken zijn identiek.
  • Zelfde bouwkundige maatregelen (zoals kozijnen, kozijn gevel aansluitingen, dak gevel aansluitingen e.d.) worden toegepast.
  • In hetzelfde project gebouwd volgens dezelfde bouwvergunning of gerenoveerd.

Woonblokken

Als er sprake is van een woonblok is het ook toegestaan de luchtdichtheid (qv,10-waarde) van de woning in een woonblok te meten met onderstaande meetmethoden:

  1. Een meetmethode waarbij in een woonblok de naastliggende woningen van de te meten woning ook op overdruk worden gezet. De te meten woning wordt dan simultaan met een blowerdoor test gemeten. In de te meten woning wordt vervolgens de qv,10 gemeten en wordt op basis daarvan de qv,10;kar bepaald. De op deze wijze bepaalde luchtdoorlatendheid van de woning is daarmee representatief voor de wijze waarop in de berekeningen conform NTA 8800 de energieverliezen door infiltratie worden vastgesteld:
    1. Voorwaarde hierbij is dat de overdruk in de betreffende woning en de naastliggende woningen ten opzichte van elkaar niet meer dan 10% mag verschillen. Er mag dus nagenoeg geen lucht van de naastgelegen woningen naar de te meten woning stromen en andersom.
    2. In de rapportage moet naast de overdruk in de betreffende woning ook de overdruk in de naastliggende woningen zijn gerapporteerd.
  2. Een meetmethode waarbij het gehele bouwblok simultaan met meerdere blowerdoor testen wordt gemeten. In de betreffende woning wordt vervolgens de qv,10 gemeten en op basis daarop wordt de qv,10;kar bepaald:
    1. Voorwaarde is dat de overdruk in de betreffende woning en het woonblok ten opzichte van elkaar niet meer dan 10% mag verschillen. Er mag dus nagenoeg geen lucht van het woonblok naar de te meten woning stromen en andersom.
    2. In de rapportage moet behalve de overdruk in de betreffende woning ook de overdruk van het woonblok zijn gerapporteerd.

Als een van deze twee hierboven beschreven methoden wordt gebruikt, moet deze ook bij 10% van het aantal woningen in het project worden uitgevoerd. De eisen gesteld aan de metingen en steekproef zoals eerder beschreven in deze paragraaf gelden ook bij deze hierboven beschreven methode.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 8.1.3.1
Infiltratie o.b.v. een gemeten qv,10-waarde Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 8.1.3.1
Infiltratie o.b.v. een gemeten qv,10-waarde Woningbouw

Gebouwmassa

De interne specifieke warmtecapaciteit wordt door de software bepaald aan de hand van de gebouwmassa (woningbouw en utiliteit) en een open of gesloten plafond (alleen utiliteit). De gebouwmassa betreft de massa van de totale rekenzone (vloeren, wanden, plafonds, meubilair etc.) teruggerekend naar m² gebruiksoppervlakte.

Voor de gebouwmassa kun je de volgende richtlijnen gebruiken (Utiliteit resp. Woningbouw):

Met massief wordt bedoeld: een massa van meer dan 100 kg/m². Hieronder vallen steenachtige materialen zonder afscherming door binnenisolatie. Met licht wordt bedoeld: een massa van 100 kg/m² of minder dan 100 kg/m². Hieronder vallen houtskeletbouw en staalskeletbouw en steenachtige materialen met een niet-massieve afscherming aan de binnenzijde, zoals binnenisolatie.

Woonboten en woonwagens vallen voor de massa van de constructie per m² gebruiksoppervlakte van de rekenzone in de categorie ‘minder dan 250 kg/m²’.

Volgens bijlage J van het protocol moet een (klimatiserings)zone opgesplitst worden als de specifieke interne warmtecapaciteit meer dan een factor 3 verschilt. Aan deze voorwaarde hoeft niet te worden voldaan als meer dan 80% van de rekenzone dezelfde specifieke interne warmtecapaciteit heeft. De volgende tabel kan gebruikt worden om snel te zien of de specifieke interne warmtecapaciteit meer dan een factor 3 verschilt.

Voorbeeld: De rekenzone is een woning (en heeft dus een gesloten plafond) met een gebouwmassa van 250-500 kg/m2.  De specifieke interne warmtecapaciteit is dan 110 kJ/m2K. Alleen bij een open plafond (utiliteit) bij een gebouwmassa van >500 kg/m2 hoeft de rekenzone opgedeeld te worden, deze opties zijn geel in de tabel. Voor een woning zal de rekenzone nooit opgedeeld hoeven worden.

Als de tabel geanalyseerd wordt kan geconcludeerd worden dat als de gebouwmassa 1 stap hoger of lager wordt (bv: van 250-500 naar <250 of 500-750), de rekenzone nooit opgedeeld hoeft te worden.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 7.6.3
Specifieke interne warmtecapaciteit Utiliteit
ISSO 82.1 bijlage J.2
Rekenzone (stap 2) Woningbouw

Type plafond

  • EPA-U

Bij utiliteitsbouw moet worden uitgegaan van de kolom ‘gesloten of verlaagd plafond’ tenzij van een vrijhangend plafond in het verblijfsgebied ten minste netto 15% van de plafondoppervlakte, gelijk verdeeld over het plafond, open is uitgevoerd.

Aantal installaties

  • EPA-W

Als het aantal installaties in een appartementencomplex ongelijk is aan het aantal woonfuncties, dan kun je dat opgeven bij Object – Algemeen. Bij iedere rekenzone geef je dan het aantal installaties op.

In versie 8.5 en nieuwer is het default aantal installaties waar de software mee rekent aangepast aan het systeem dat je kiest, individueel, collectief/gemeenschappelijk respectievelijk warmte- en koudelevering derden. Bij een individueel systeem rekent de software automatisch voor het aantal installaties met het aantal woonfuncties van het object. Bij een gemeenschappelijk / collectief systeem rekent de software automatisch met 1 systeem, net als bij gemeenschappelijk warmtelevering derden en koudelevering derden.

Gebruiksoppervlak

Verdiepingen en gebruiksoppervlak

Geef de gebruiksoppervlakte van de rekenzone op, volg hierbij de richtlijnen van het opnameprotocol. Kies of je de totale oppervlakte opgeeft, of als je dat fijn vindt, kan het per verdieping. Je kunt maximaal 20 verdiepingen aanmaken, door op het plusje te klikken. Heb je meer verdiepingen, dan kun je het als totaal invoeren. Voor de resultaten maakt invoer per verdieping of in totaal niet uit.

Als de aanwezigheid van standleidingen onbekend is, dan wordt voor woningbouw het aantal bouwlagen afgeleid uit het aantal verdiepingen dat ingevuld wordt. Stel dat een rekenzone op de derde bouwlaag ligt en je geeft het gebruiksoppervlak per verdieping op, maak dan eerst twee verdiepingen aan met 0 m² en vul op de derde verdieping het gebruiksoppervlak van de betreffende rekenzone in.
Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 7.7
Bepaal de gebruiksoppervlakte van de thermische zone, gebruiksfuncties en de rekenzone Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 7.4.3
Gebruiksoppervlakte van de rekenzone Woningbouw

Gebruiksfuncties

Hoofdfunctie en deelfuncties

  • EPA-U

De gebruiksfunctie is van belang voor het indelen van de rekenzones, Stap 5 Bepaal de rekenzones.

In een klimatiseringszone kunnen verschillende gebruiksfuncties aanwezig zijn die qua setpoint en ventilatiecapaciteit te veel van elkaar afwijken en daarom in verschillende rekenzones gesplitst moeten worden. Bepaal vervolgens per rekenzone de gebruiksoppervlakte.

Uit het opnameprotocol ISSO 75.1 paragraaf 7.6 (zie publicaties hieronder)

Een klimatiseringszone kan weer uit een of meerdere rekenzones bestaan. Een rekenzone moet minimaal één gebruiksfunctie kennen, maar dat kunnen er dus ook meerdere zijn.

Een klimatiseringszone wordt in meerdere rekenzones gesplitst wanneer:

  • De setpointtemperatuur voor verwarming van de gebruiksfuncties meer dan 4 K verschilt (zie tabel 7.3);
  • Bij ventilatietype A, B, C of E de ventilatiecapaciteit per m² gebruiksoppervlakte meer dan een factor 4 verschilt (zie tabel 7.3);
  • De specifieke interne warmtecapaciteit meer dan een factor 3 verschilt. De specifieke interne warmtecapaciteit wordt bepaald door de constructietypes van het gebouw (zie tabel 7.4).

In onderstaande paragrafen zijn deze punten nader toegelicht. Zie ook beslisschema 5 in afbeelding 7.9. Hierin zijn tevens de uitzonderingen aangegeven.

De hoofdfunctie is de functie van de rekenzone met het grootste oppervlak. Eventuele andere functies, die binnen dezelfde rekenzone vallen, worden als deelfunctie opgegeven. De gekozen hoofdfunctie geef je niet meer als deelfunctie op, alleen afwijkende functies geef je als deelfunctie op.

 

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 7.3.1
Bepaal de verschillende gebruiksfuncties (stap 2a)
ISSO 75.1 paragraaf 7.6
Rekenzone (Stap 5)

In tabel 7.1 van het opnameprotocol wordt een toelichting gegeven op de verschillende gebruiksfuncties, zie publicaties hieronder.

gebruiksfuncties (Utiliteitsbouw)

  1. Deze gebruiksfunctie is niet beschikbaar voor objecttype Utiliteit. Als je voor objecttype Woningbouw kiest, dan kun je het gebouwtype opgeven bij het object in plaats van de rekenzone.
  2. Het is niet verplicht om bij verkoop, oplevering of verhuur de energieprestatie te bepalen. Deze gebouwdelen worden bij de berekening van de energieprestatie buiten beschouwing gelaten. Gebruiksoppervlakte van deze gebouwdelen hoeft dus ook niet te worden bepaald. Deze gebouwdelen worden afhankelijk van de wijze van conditionering beschouwd als verwarmde of onverwarmde aangrenzende ruimte.
  3. Geen gebruiksfunctie conform het Bouwbesluit, maar ingevoerd om de gebouwen te kunnen indelen.
  4. De hulpfunctie is alleen te kiezen als deelfunctie en niet als hoofdfunctie van de rekenzone.

Hulpfunctie

  • EPA-U

Bij het indelen van de verschillende gebruiksfuncties binnen een rekenzone is de hulpfunctie een onderdeel. De hulpfunctie is geen gebruiksfunctie in het Bouwbesluit, maar deze wordt in het opnameprotocol gebruikt  om de gebouwen te kunnen indelen. Volg voor het bepalen welke gebruiksfuncties toegewezen worden aan de hoofdfunctie paragraaf 7.3, zie publicaties hieronder.

Vul in de software alleen de hulpfunctie in van gemeenschappelijke en overige ruimten én als de hulpfunctie ook energieprestatieplichtige is. De software zal de hulpfunctie naar rato van de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfuncties verdelen. Bij andere situaties waarbij de hulpfunctie niet op alle (hoofd/deel)functies is aangesloten is het nodig om zelf de m2 van de hulpfunctie te verdelen over de andere functies.

Ligt de hulpfunctie in een niet-gemeenschappelijke ruimte, geef de hulpfunctie dan niet apart op, maar neem deze mee in de bijhorende gebruiksfunctie.

Gebruik tabel 7.2 en de toelichting om dit te bepalen. Een aantal aandachtspunten uit deze tabel van het opnameprotocol:

Aangegeven staat dat de hulpfuncties in een energieprestatieplichtig deel naar rato van het gebruiksoppervlakte verdeeld moeten worden. Dit kan leiden tot complexe situaties als er in het gebouw ook een niet-energieprestatieplichtig deel aanwezig is. Delen in een energieprestatieplichtig deel kunnen dan namelijk niet-energieprestatie-plichtig worden en dan wordt de verdeling van de oppervlakte complex. Om deze reden worden de hulpfuncties die voor het energieprestatieplichtige én niet-energieprestatieplichtige deel aanwezig zijn altijd toegekend aan één van de twee. Daarbij geldt dat er een zo logisch mogelijke verdeling gemaakt moet worden. In praktijk betekent dat de hulpfunctie toegekend wordt aan het deel waar het de meeste raakvlakken mee heeft. Alleen verticale constructies tellen mee. Voorbeeld is een gang die (in het horizontale vlak) voor 75% omsloten wordt door energieprestatieplichtige functies, en voor 25% grenst aan een niet-energieprestatieplichtige functie. Deze gang wordt dan volledig toegekend aan het energieprestatieplichtige deel. Bij gelijke verdeling, heeft de energieprestatieplichtige functie prioriteit.
Om deze reden worden de hulpfuncties die in het energieprestatieplichtige deel liggen, en die voor het energieprestatieplichtige én niet-energieprestatie-plichtige aanwezig zijn, altijd toegekend aan het energieprestatie-plichtige deel.
Omgekeerd geldt ook dat hulpfuncties ten behoeve van energieprestatieplichtige functies en niet-energieprestatieplichtige functies, die in het niet-energieplichtige deel liggen, niet toegekend worden aan de energieprestatieplichtige functies.

Zolders, vlieringen en kelders
Zolders, vlieringen en kelders of souterrains zijn alleen als resterende ruimte te behandelen als daar een hulpfunctie aan is toegekend. Deze ruimten kunnen namelijk ook een gebruiksfunctie hebben (bijvoorbeeld bijeenkomst).

Opslagruimte
Opslagruimte gelieerd aan een gebruiksfunctie is een opslagruimte die zonder bouwkundige aanpassingen weer is in te richten als onderdeel van een gebruiksfunctie. Hierbij valt te denken aan een kantoorruimte die tijdelijk als opslagruimte is ingericht, of de voorraadkamer voor kantoorartikelen. Ook geldt dat als 10% of meer van de gebruiksoppervlakte van het totale gebouw uit de functie magazijn/opslagruimte bestaat, dat het magazijn/opslagruimte moet worden beschouwd als industriefunctie. Als minder dan 10% van het Ag van het totale gebouw uit de functie magazijn/opslag bestaat, dan moet dit worden beschouwd als hulpfunctie en toegekend worden aan de hoofdfunctie van het gebouw.

Als de rekenzone alleen een hoofdfunctie en hulpfuncties kent, dan heeft het geen toegevoegde waarde de hulpfunctie apart op te gegeven. Het staat de adviseur vrij om de hulpfuncties zelf conform het opnameprotocol te verdelen over de verschillende gebruiksfuncties.
Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 7.3
Bepaal de gebruiksfuncties en het energieprestatieplichtige deel van het gebouw (Stap 2)

Lineaire koudebruggen

Lineaire koudebruggen

  • Detail
Vanaf versie 0.8800.4 (oktober release) geef je de gedetailleerde invoer van de lineaire thermische bruggen op in de geometrie.

Leidingdoorvoeren

Leidingdoorvoeren standleidingen HWA VWA

Bij leidingdoorvoeren door de thermische schil gaat het bijvoorbeeld om standleidingen voor hemelwater of afvalwater en rioolbeluchters/-ontluchters. Ventilatiekanalen, elektriciteitsleidingen, CV-leidingen rookgasafvoerkanalen vallen hier niet onder. Geef aan of deze aanwezig zijn, afwezig of dat het onbekend is of er leidingdoorvoeren aanwezig zijn.

Geef bij het aantal (verticaal door thermische schil) het aantal leidingen op die door de thermische schil gaan. Bijvoorbeeld: Een woongebouw met:

  • 10 bouwlagen
  • 4 woningen per laag (totaal 40 woonfuncties)
  • 1 verticale leiding per woning

In dit voorbeeld vul je bij ‘aantal’ 4 op, en niet 40. In de berekening wordt namelijk rekening gehouden met het aantal bouwlagen.

*Note: indien het gebruiksoppervlakte op ‘totaal oppervlakte’ stond werd voor versie 8.7 niet altijd het aantal bouwlagen gevraagd bij een woongebouw of woning in appartementencomplex.  Hierdoor kan het zijn dat er te gunstig (met 1 bouwlaag) werd gerekend.

Als het onbekend is of er leidingdoorvoeren aanwezig zijn, zijn er voor utiliteitsbouw aanvullende velden nodig: het aantal bouwlagen als deze niet uit verdiepingen is af te leiden, en het aantal toiletgroepen. Voor woningbouw wordt de informatie voor de forfaitaire berekening uit andere invoervelden gebruikt en is er geen aanvullende invoer nodig. Voor een individuele woning wordt er gerekend met één ongeïsoleerde leiding per rekenzone per bouwlaag in de rekenzone. Voor een woongebouw wordt gerekend met één ongeïsoleerde leiding per woonfunctie in het gebouw. Het aantal woonfuncties wordt uit Object Algemeen overgenomen.

 

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 8.2.15
Thermische eigenschappen leidingdoorvoeren Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 8.2.15
Thermische eigenschappen leidingdoorvoeren Woningbouw

Aantal

Vul hier in het aantal aanwezige verticale leidingen die door de thermische schil gaan.

Publicaties
Adviesplatform St. KEGO
H8.2.15; Hoe dienen de thermische eigenschappen leidingdoorvoeren geïnterpreteerd te worden?

Aantal bouwlagen rekenzone

Vul hier het aantal bouwlagen van de rekenzone in (par 8.1.5 zie publicaties). Hier wordt het daadwerkelijke aantal bouwlagen van de rekenzone bedoeld, ongeacht of de leiding door slechts een deel van de bouwlagen van de rekenzone loopt.

Als je het gebruiksoppervlak per verdieping opgeeft, worden het aantal verdiepingen daar uit overgenomen. Als er verdiepingen bij de rekenzone horen die geen gebruiksoppervlak hebben, geef deze dan dus wel op met 0 m². Of kies er voor om het totaal gebruiksoppervlak op te geven en vul het aantal verdiepingen in bij de leidingdoorvoeren.
Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 8.1.5
Aantal bouwlagen Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 8.1.5
Aantal bouwlagen Woningbouw

Aantal toiletgroepen

  • EPA-U

Als het onbekend is of er leidingdoorvoeren aanwezig zijn, geef je het aantal toiletgroepen op. Forfaitair wordt er namelijk met één ongeïsoleerde verticale leiding per toiletgroep gerekend, waarbij de verticale leiding door alle bouwlagen gaat van het gebouw waar deze toiletgroep zich in bevindt en boven elkaar gelegen toiletgroepen maar één keer worden meegerekend.

Leidingen geïsoleerd

Er is sprake van isolatie als meer dan 90% van de betreffende leidinglengten is geïsoleerd.

Door / langs andere aangrenzende rekenzones / AVR

Per leiding aangeven of de leiding ook door/langs andere aangrenzende rekenzones of aangrenzende verwarmde ruimten loopt, indien dit het geval is, aangeven door/langs hoeveel aangrenzende rekenzones of aangrenzende verwarmde ruimten de leiding loopt.

Publicaties
ISSO open 82.1 -> Specificaties -> Downloads
Wijzigings- en interpretatiedocument 01-07-2021 Woningbouw
Adviesplatform St. KEGO
Verschil in bepaling leidingdoorvoeren woongebouw en individuele appartementen?

In het ‘Wijzigings- en interpretatiedocument van 1 juli 2021 (zie bovenstaande publicaties) is aangegeven dat dit voor eengezinswoningen niet meer opgenomen en ingevuld hoeft te worden:

Voor eengezinswoningen worden de doorvoeren van de naastgelegen woning of gebouw niet meegenomen.

Voor een woonfunctie in een woongebouw (collectieve leiding) moet wel rekening gehouden worden met aangrenzende rekenzones. Als de leiding(en) (of de schacht waarin de leidingen zijn opgenomen) op de bouwlagen van de beschouwde rekenzone langs of door andere rekenzones voert of voeren, moet het aantal aangrenzende rekenzones worden opgegeven per bouwlaag.

Zomernachtventilatie

Deze pagina is nog in ontwikkeling

Type zomernachtventilatie

  • Detail

Zomernachtventilatie wordt alleen getoond als bij de projectgegevens is gekozen voor detailopname.

Zomernachtventilatie wordt alleen opgenomen en gecontroleerd als zomernachtventilatie ook bij de aanvraag van de omgevingsvergunning is meegenomen, of als er een ontwerp aanwezig is. Het betreft zomernachtventilatie via uitsluitend natuurlijke luchtvolumestromen. Deze natuurlijke luchtvolumestromen komen tot stand via roosters, luiken, kleppen en te openen ramen. Passieve koeling door inzet van ventilatoren (paragraaf 11.5.6) geef je niet op bij zomernachtventilatie.

In de utiliteitsbouw komt zomernachtventilatie op basis van uitsluitend natuurlijke luchtstromen nauwelijks voor.

Dwarsventilatie
Als er dwarsventilatie wordt opgegeven, moeten er minimaal in twee gevels openingen zijn opgegeven waarvan de oriëntatie van tenminste 2 gevels minimaal 90° verschilt t.o.v. elkaar. Of waarbij deze in een gevel en dak (maximaal 60°) zijn opgegeven. Als er op slechts 1 oriëntatie ventilatie openingen zijn aangebracht, moet je dit als enkelzijdige ventilatie opgeven

Dwarsventilatie heeft doorgaans een groter effect op het verlagen van de TOjuli dan enkelzijdige ventilatie. De bediening is echter ook van belang, het kan zijn dat handmatige dwarsventilatie minder goed scoort dan automatische enkelzijdige ventilatie met temperatuurregeling.

Uit het opnameprotocol ISSO 82.1 paragraaf 11.1.3 Te gebruiken informatiebronnen voor het ontwerp zomernachtventilatie

Nachtventilatie mag in de bepaling van de energieprestatie van een gebouw gebruikt worden als er een ontwerp is met daarop:

  • de positie van de ventilatievoorzieningen;
  • de afmeting per ventilatievoorziening;
  • daarbij aangegeven dat alle ventilatievoorzieningen:
    • Voor zomernachtventilatie, die bereikbaar zijn volgens NEN 5087:2013+A1:2016, in geopende stand inbraakwerend zijn volgens NEN 5096:2012+A1:2015.
    • Het gebruik van de voorzieningen voor zomernachtventilatie niet leidt tot een toename van insecten en ongedierte in het gebouw. Voor woonfuncties is in uitwendige scheidingsconstructies met een hellingshoek > 45° een gaas of perforatie met een maaswijdte van maximaal 3 mm vereist.
    • Regenwerend zijn volgens NEN 2778:2015.
    • Bedienbaar zijn op maximaal 1,8 meter boven het vloeroppervlak.

Vul alleen die doorlaten in per rekenzone welke mogen worden meegenomen en bepaal of er sprake is van dwarsventilatie of enkelzijdige ventilatie.

Publicaties
ISSO 82.1 paragraaf 11.8
[DETAIL] Zomernachtventilatie (Woningbouw)
ISSO 82.1 paragraaf 11.1.3
Te gebruiken informatiebronnen

Netto oppervlak

  • Detail

Voor alle doorlaten geldt dat de netto doorlaat per oriëntatie dient te worden bepaald. Dit is de effectieve oppervlakte van de opening met aftrek van de gesloten delen ten gevolge van lamellen, perforatieplaat of gaas. Volg daarbij de instructies van het opnameprotocol, zie publicaties hieronder.

Bepaal per opening de bruto doorlaat, het percentage open/gesloten en de openingshoek van de doorlaat.
Bepaal per rekenzone wat de maximale netto raamopening Aw per oriëntatie is, die voor zomernachtventilatie gebruikt kan worden. De oriëntatie kan naast de windrichting ook een horizontaal vlak zijn, namelijk het dak.

Publicaties
ISSO 82.1 paragraaf 11.8.3
Oppervlakte doorlaten

Hoogte doorlaat

  • Detail

De hoogte van de netto opening moet worden opgegeven, zie afbeelding 11.18 uit ISSO 82.1.

Hoogte maaiveld tot midden doorlaat

  • Detail

De hoogte van het midden van de doorlaat ten opzichte van het maaiveld moet worden opgegeven. Als er sprake is van een glooiend of hellend maaiveld, moet het laatste punt worden genomen. Zie afbeelding 11.18 uit ISSO 82.1 uit de afbeelding hierboven.


Terug naar de Objecten