Bij Constructies maak je alle constructies aan die nodig zijn om de thermische schil van de verschillende objecten binnen het project te kunnen opgeven. Dit is je projectbibliotheek, die nodig is om de geometrie van de objecten in te kunnen voeren. Je kunt het zien als bouwen met lego. Om de geometrie met lego-blokjes op te kunnen bouwen, moet je bij Constructies eerst de lego-blokjes met verschillende eigenschappen klaar zetten. Zonder blokjes (constructies) kun je niet bouwen (geometrie).

Afhankelijk van het opnameniveau (basis of detail) kun je kiezen hoe je de constructie eigenschappen wilt opgeven. Volg hierbij het beslisschema van het opnameprotocol bij de publicaties hieronder.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 8.2.11
Thermische eigenschappen (Rc-/U-waarde) bepalen Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 8.2.11
Thermische eigenschappen (Rc-/U-waarde) bepalen Woningbouw

Thermische schil voor bepalen energieprestatie

Alleen constructies van de thermische schil hoeven aangemaakt te worden, tussenwanden en dergelijke vallen buiten de opname. Ook woning- / gebouwscheidende wanden vallen buiten de berekening, net als constructies tussen twee rekenzones.

Een constructie die grenst aan een onverwarmde serre (AOS) valt wel onder de thermische schil en moet dus wel aangemaakt worden.

aangrenzende onverwarmde serre (AOS)
De definitie van een aangrenzende onverwarmde serre, volgens ISSO 75.1 resp 82.1 paragraaf 8.2.8 begrenzing constructies

Aangrenzende onverwarmde ruimten met een significante zoninstraling.
Het gaat hier om serres, atria (buiten de thermische zone gelegen) en balkon- en galerijafdichtingen.

 

Opmerking: Als de aangrenzende ruimte niet verwarmd of gekoeld wordt voor het verblijf van mensen, maar er is het hele jaar wel continue sprake van een binnentemperatuur van minimaal 15 °C (bijvoorbeeld vanwege een productieproces in die ruimte), dan mag die ruimte ook aangemerkt worden als een aangrenzende verwarmde ruimte. Een en ander moet dan in het projectdossier worden vastgelegd.
Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 8.2.8
Begrenzing constructies Constructies
ISSO 82.1 paragraaf 8.2.8
Begrenzing constructies Woningbouw

Type

De constructie types die je kunt kiezen, sluiten in basis aan op het opnameprotocol: gevel, paneel in kozijn, raam, deur, dak en vloer.

Hellend of plat dak. Er wordt voor de energieprestatie geen onderscheid gemaakt tussen een hellend dak en een plat dak. Sommige adviseurs vinden het prettig om dat onderscheid toch te maken, bijvoorbeeld om achteraf besparingsmogelijkheden door te rekenen, of gewoon voor de herkenbaarheid. Je kunt er voor kiezen of je een constructie voor een hellend dak en plat dak apart aan wilt maken. Als je hier geen onderscheid in wilt maken kun je voor “dak hellend/plat” kiezen. Voor het resultaat is het niet van invloed. Het is alleen ter informatie, om bijvoorbeeld achteraf te kunnen filteren.

Naam

Je kunt kiezen om de constructies zelf een naam te geven, of dat dit automatisch vanuit de software een naam krijgt.

Tip: geef in de naam de herkenbaarheid van de eigenschappen aan, zodat deze bij de geometrie het onderscheid duidelijk is. De constructies is een projectbibliotheek die in meerdere objecten toegepast kunnen worden. Ligging en locatie zijn daarom minder geschikt en passen bij naamgeving van de bouwdelen in de geometries. Om een bepaalde onderlinge nuance aan te geven, kan het in bepaalde situaties wel een verduidelijking geven.

Invoer

Er zijn verschillende manieren waarop constructies ingevoerd kunnen worden. Dit is niet allen afhankelijk van het constructietype, een paneel, raam en deur geef je een U-waarde op en gevel, dak en vloer een Rc. Maar het type invoer is ook afhankelijk van de bouwfase en opname niveau. Alleen bij de fase aanvraag omgevingsvergunning kun je kiezen voor Minimale eisen Bouwbesluit 2012; de beslisdiagrammen zijn bij een omgevingsvergunning niet beschikbaar.  Voor oplevering nieuwbouw zijn de beslisdiagrammen wel beschikbaar, tabel 8.6 geeft aan dat als er geen gegevens bekend zijn, je terug valt op “Isolatiedikte of als deze niet bekend is bouwjaar (8.2.14)”. Voor detailopname mag de EP detail adviseur de U-waarde en Rc-waarde zelf berekenen op basis van H8 van de NTA 8800; en het is voor transparante constructies mogelijk om de U-waarde gedetailleerd op te geven door kozijn en glas een apart U-waarde op te geven en zelfs met oppervlaktes van beglazing en kozijn en omtrek van beglazing. De verschillende invoer types worden hier allemaal toegelicht. Het actuele opnameprotocol (zie publicaties) is altijd leidend.

Oppervlakte per constructie

Voor constructies binnen een kozijn (ramen, deuren en panelen), is er de mogelijkheid om bij constructies alvast het oppervlak op te geven. Dit is handig als er een kozijnstaat beschikbaar is, of als een gebouw veel repeterende kozijnen heeft.

Bij oppervlak [m2] geef je het oppervlak op wat je anders in de geometrie opgeeft, zie opnameprotocol (zie publicaties). Het actuele opnameprotocol is hierin altijd leidend. In de geometrie hoef je dan alleen het aantal kozijnen binnen het bouwdeel in te vullen.

ISSO opnameprotocol § 8.2.4

Het glas en het kozijn, het paneel en het kozijn, de deur en het kozijn worden soms als één constructie beschouwd. In dat geval worden bij het opmeten van ramen, panelen en deuren ook de kozijnen meegenomen. Indien een raam zich direct naast een deur en/of paneel bevindt, moet de helft van het kozijn bij het raam en de andere helft bij de deur en/of paneel worden geteld. Als er glas, paneel of deur zonder kozijn in een gevel is geplaatst, geldt voor de oppervlakte van de opening in de gevel de oppervlakte van het glas, paneel of deur.

Het oppervlak wordt vlakvol in binnenwerkse maten gemeten (zie afbeelding 8.15).

Afbeelding

Afb. 8.15 Kozijnwerk binnenmaat

Ventilatieroosters/suskasten opgenomen in het kozijn van het raam worden in de oppervlaktebepaling van het raam meegenomen.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 8.2.4
Oppervlakte en omtrek kozijnwerk Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 8.2.4
Oppervlakte en omtrek kozijnwerk Woningbouw

Isolatie kruipruimte

Isolatie van de kruipruimte, of bodemisolatie, geef je op bij de geometrie van de rekenzone.

Perimeter

Ook de perimeter geef je op bij de geometrie van de rekenzone.

Kozijn

De energieprestatie kent drie type kozijnen van ramen en panelen: hout of kunststof, metaal thermisch onderbroken en metaal niet thermisch onderbroken.

hout of kunststof kozijn Net als bij een hellend of een plat dak, wordt er geen onderscheid gemakt tussen een houten kozijn en kunststof kozijn. Vind je het prettig om dit onderscheid wel te maken, dan is dit mogelijk. Rekenkundig is er geen verschil. Het kan handig zijn voor data-analyse met bijvoorbeeld power b.i. of om informatie te kunnen filteren. Als je geen onderscheid wilt maken, kies je voor ‘hout of kunststof’.

Bouwbesluit

Rc- en U-waarde volgens bouwbesluit

  • Detail

Bij bouwfase: Aanvraag omgevingsvergunning (nieuwbouw) mag ook gerekend worden met invoer = Minimale eisen Bouwbesluit 2012. De volgende waarden worden aangehouden:

Gevels en panelen 4.7 m2.K/W
Daken 6.3 m2.K/W
Vloeren 3.7 m2.K/W
Ramen, deuren, kozijnen 1.65 W/m2.K

De eis voor woonwagens is lager, hier wordt niet automatisch rekening mee gehouden in de software. Zie: Bouwbesluit 2012 (deze wordt aangepast per 1 januari 2021)

Wanneer de energieprestatie van een gebouw nodig is voor de aanvraag van een omgevingsvergunning, de EP/D- adviseur ook Rc-waarden mag gebruiken die minimaal overeenkomen met de eisen uit het Bouwbesluit voor de betreffende constructie. De Gemeente (Bouw en Woning Toezicht) kan bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wel vragen naar een onderbouwing van de Rc-waarden.
Bij de oplevering van het gebouw moeten de Rc-waarden hoe dan ook worden onderbouwd met een berekening of een verklaring.
Voor nieuw te bouwen gebouwen geldt bovendien dat de kwaliteit van het aanbrengen van de isolatie moet worden vastgelegd in het projectdossier. Hiervoor gelden de eisen die beschreven staan in paragraaf 8.2.14.

H8 NTA8800

Rc- en U-waarde volgens hoofdstuk 8 van de NTA 8800

  • Detail
U-waarde panelen en ramen in oktober versie 0.8800.4

Helaas wordt U-waarde van panelen en ramen in versie 0.8800.4 niet goed meegenomen. Deze kun je tijdelijk met een (fictieve) kwaliteitsverklaring opgeven.

Wanneer de opbouw van de betreffende constructie bekend is, moet de Rc-waarde/U-waarde worden bepaald aan de hand van hoofdstuk 8 van de NTA 8800. De volledige berekening en onderbouwing dient te worden opgenomen in het projectdossier. De eigenschappen van de verschillende materialen waaruit de constructie is opgebouwd moeten dan ook bekend zijn. Het is daarbij mogelijk om gebruik te maken van specifieke materiaaleigenschappen. Als deze informatie niet beschikbaar is, is het ook toegestaan om gebruik te maken van de in bijlage E van NTA 8800 opgegeven forfaitaire waarde (zie bijvoorbeeld bijlage E tabel E.10 en E.11) voor isolatiematerialen.
Tabel E.10 van bijlage E (NTA 8800) maakt onderscheid tussen nieuwbouw en bestaande bouw. Nieuwbouw in tabel E.10 wil zeggen dat het isolatiemateriaal tijdens de bouw van het gebouw is aangebracht. De waarden uit de kolom ‘nieuwbouw’ mogen ook gehanteerd worden als een gebouw volledig wordt gerenoveerd, waarbij de constructies, voorzien van isolatie, opnieuw worden opgebouwd. De kolom ‘nieuwbouw’ heeft betrekking op vergunningsplichtige bouw.

In de kolom ‘nieuwbouw’ wordt bij de verschillende isolatiematerialen een bepaalde reikwijdte aangegeven. Als de gedeclareerde warmtegeleidingscoëfficiënt niet bekend is, moet worden uitgegaan van de gemiddeld opgegeven gedeclareerde warmtegeleidingscoëfficiënt van het betreffende materiaal.
Voor alle andere situaties wordt, in het geval de constructie-opbouw bekend is maar niet bekend is welk merk isolatie is toegepast, bij de berekening voor het isolatiemateriaal uitgegaan van de in kolom ‘Bestaande bouw’ gegeven gedeclareerde warmtegeleidingscoëfficiënt (zie tabel E.10 bijlage E van de NTA 8800).

Ramen, deuren en panelen U-waarde

Uit het opnameprotocol ISSO 75.1 resp. 82.1 paragraaf 8.2.12

In het kader van de omgevingsvergunning moet voor ramen, deuren en panelen de U-waarde conform hoofdstuk 8 van de NTA 8800 worden bepaald. Houd daarbij rekening met de lineaire thermische bruggen als gevolg van de gecombineerde effecten van beglazing, afstandshouder en kozijn (zie paragraaf 8.2.3 van de NTA 8800).

Als er van een constructie een verklaring (een gecontroleerde verklaring) aanwezig is en het is aantoonbaar dat de betreffende constructie in de rekenzone van het betreffende gebouw is toegepast, moet de U-waarde van deze constructie gebruikt worden. Ga na of de bevestigingsmaterialen ook in de verklaring zijn verwerkt. Als dit niet zo is, dan moeten deze alsnog conform hoofdstuk 8 van de NTA 8800 worden meegenomen. Hetzelfde geldt voor de lineaire thermische bruggen.

Het is ook toegestaan om gebruik te maken van de door de opdrachtgever beschikbaar gestelde U-waarden voor kozijnen, beglazing en/of de combinatie van beiden. De U-waarde moet op basis van fabrikantgegevens en facturen gecontroleerd worden door een EP-U/D adviseur. Bij 10% van de kozijnen in de rekenzone moet van de ramen (U-waarde) een steekproef worden genomen met een minimum van twee ramen. Indien er minder dan twee ramen aanwezig zijn in rekenzone moeten alle ramen worden gecontroleerd. Als deze informatie niet beschikbaar is, is het ook toegestaan om gebruik te maken van de in bijlage G van NTA 8800 opgegeven forfaitaire waarde voor beglazing en in tabel I.8 opgegeven forfaitaire waarde voor ramen en glasdeuren.

Voor de forfaitaire waarden van kozijnen moet gebruik gemaakt worden van onderstaande tabel.

Tabel 8.8 Ufr-waarde van verschillende kozijnmaterialen

Materiaal

  Ufr-waarde
[W/m²·K]

Hout of kunststof

2,4

Metalen met thermische onderbreking

3,8

Metalen zonder thermische onderbreking

7,0

Zonwerende eigenschappen van de ramen en zonwering moeten ook worden opgegeven, bij de geometrie van de rekenzone. Dit is voor de detailmethode en de basismethode gelijk.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 8.2.12
[DETAIL] Berekenen Rc-/U-waarde m.b.v. H8 van de NTA 8800 Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 8.2.12
[DETAIL] Berekenen Rc-/U-waarde m.b.v. H8 van de NTA 8800 Woningbouw
NEN shop
NTA 8800:2020 nl Energieprestatie van gebouwen - Bepalingsmethode

Lineaire thermische bruggen

  • Detail

Lineaire thermische bruggen worden in de rekenzone opgegeven, bij geometrie.

U-kozijn, U-glas en PSI-glas

  • Detail

U-kozijn, U-glas en PSI glas

De detailadviseur heeft de mogelijkheid om niet alleen een gecombineerde U-waarde op te geven, maar deze gedetailleerder in te voeren als die informatie voor handen is. Als je bij ramen kiest voor invoer U-kozijn, U-glas en PSI-glas, dan kun je deze gegevens apart opgeven. Dit sluit aan bij methode B uit de NTA 8800,  er wordt dan forfaitair gerekend met een kozijnpercentage (Ffr;wi) van 0.25. Dit houdt in dat voor een raamafmeting van 1 m x 1 m in de muur, dat er met 0.25 m² kozijn en 0.75 m² raam gerekend wordt. Methode A uit de NTA 8800 is beschreven in de volgende paragraaf ‘U kozijn, U glas, PSI glas, omtrek beglazing, A raam, A kozijn’.

U-kozijn, U-glas en PSI-glas in bèta versie 0.8800.5 en 0.8800.4

Helaas kun je in deze versie nog geen g-waarde opgeven, wat van invloed is op de resultaten, waaronder een te gunstige TOjuli. We raden deze invoer daarom af in deze versies.

U kozijn, U glas, PSI glas, omtrek beglazing, A raam, A kozijn

  • Detail

U-waarde, omtrek en oppervlakte

Als je bij de projectgegevens heb aangegeven dat je de U-waarde van ramen met omtrek en oppervlakte wilt opgeven, dan kun je nog meer details opgeven, bijvoorbeeld omdat de kozijnfractie sterk afwijkt van de forfaitaire waarde (0.25, methode B in NTA 8800 (2020) par. 7.6.6.2).

Voor alle ramen binnen het object moet dezelfde keuze worden gemaakt. Daarom geef je die keuze op bij de projectinstellingen.
U kozijn, U glas, PSI glas, omtrek beglazing, A raam, A kozijn
in bèta versie 0.8800.5 en 0.8800.4

Helaas kun je in deze versie nog geen g-waarde opgeven, wat van invloed is op de resultaten, waaronder een te gunstige TOjuli. We raden deze invoer daarom af in deze versies.

Kwaliteitsverklaring

Als er een kwaliteitsverklaring uit de databank van BCRG beschikbaar is, dan moet deze toegepast worden. Je kunt bij BCRG filteren op de richtlijn NTA 8800. Als je een verklaring volgens een oudere richtlijn wilt toepassen, volg dan de overgangsregeling. De waarde van de verklaring moet, in verband met wijziging van Bouwbesluit, gecorrigeerd worden.

Code samenstelling BCRG voor de NTA 8800

De code komt overeen zoals dat in de databank van BCRG wordt aangegeven. Bijvoorbeeld”20201689GK”.

De code is als volgt opgebouwd:

  • de eerste 4 posities is het jaartal dat de verklaring is toegevoegd aan databank;
  • positie 5 t/m  8 is het volgnummer per jaar;
  • positie 9 en 10 bevat GK of GG  (GK gecontroleerde kwaliteitsverklaring, GG gecontroleerde gelijkwaardigheidsverklaring).

De overige letters komen te vervallen in verband met de automatische koppeling met de databank.

Publicaties
BCRG verklaringenregister
Databank BCRG met verklaringen

KV toepassen bij detailopname
Het kan zijn dat op een kwaliteitsverklaring staat dat de toepassing voor basisopname is, zie afbeelding. Echter, als er geen of onvoldoende gegevens zijn voor berekening volgens de detailmethode (ISSO 75.1 resp . 82.1 paragraaf 8.2.12), dan mag gebruik gemaakt worden van Rc-waarden genoemd op de kwaliteitsverklaring voor basisopname.

Beslisdiagram

g-waarde

In het opnameprotocol staat bij tabel Tabel 8.14 R1 U-waarde en g-waarde van ramen grenzend aan buitenlucht

Opmerking: De g-waarde is ook af te leiden uit de productinformatie van het glas. Het bewijs hiervan moet dan worden toegevoegd aan het projectdossier.

Als je de g-waarde volgens productinformatie op wilt geven, dan kun je dit aanvinken om de g-waarde aan te passen.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 8.2.14
Bepaling Rc-of U-waarde met beslisdiagrammen Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 8.2.14
Bepaling Rc-of U-waarde met beslisdiagrammen Woningbouw

Bepaling Rc- en U-waarde o.b.v. isolatiedikte / type glas en kozijn of o.b.v. bouwjaar (beslisdiagrammen)

  • Basis
  • Detail

Uit het opnameprotocol paragraaf 8.2.14 (zie ook publicaties hierboven):

Bij de Rc-waarde bepaling geldt deze volgorde:

  1. Ter plekke bij de betreffende constructie de isolatiedikte meten.
  2. Isolatiedikte bepalen uit tekeningen, rekeningen of ander bewijsmateriaal die behoren bij het gebouw (met adres betreffende gebouw). Ter plekke in het gebouw controleren of de aangegeven dikte aannemelijk is.
  3. Rc-waarde bepalen op basis van het bouwjaar/renovatiejaar.

Alleen als de isolatiedikte niet ter plekke is te bepalen, moet de isolatiedikte uit de betreffende rekening/tekening worden afgeleid. Is er ook geen tekening/rekening of ander bewijsmateriaal beschikbaar? Dan moet de Rc-waarde op basis van het bouwjaar/renovatiejaar worden bepaald.

  1. Als op de tekening/rekening is aangegeven dat er een bepaald merk en type isolatiemateriaal is toegepast en er is voor het betreffende isolatiemateriaal een gecontroleerde verklaring beschikbaar, dan moet de Rc-waarde van het betreffende isolatiemateriaal, behorend bij de gegeven dikte worden aangehouden.
  2. Als er op een rekening en/of tekening een Rc-waarde bij een bepaalde constructie staat, mag deze niet zomaar worden gebruikt. Alleen als een gecontroleerde verklaring kan aantonen dat de Rc-waarde van de betreffende constructie klopt, moet deze gebruikt worden.

De op te nemen kenmerken van gevels, panelen, daken en vloeren zijn:

Gevels, panelen en vloeren
  • Isolatie aanwezig: ja, nee of onbekend. Hier mag alleen ‘ja’ worden ingevuld als de isolatie is waar te nemen of als er een schriftelijk bewijs (tekening of rekening met isolatiedikte) aanwezig is. Als de aanwezigheid ‘onbekend’ is, is het bouwjaar van het gebouw of aanbouw bepalend voor de Rc-waarde.
  • De isolatiedikte, als die te bepalen is.
  • Luchtspouw aanwezig: ja of nee. Dit hoeft alleen beoordeeld te worden onder de volgende omstandigheden:
    • er is geen isolatie aanwezig; of
    • het is onbekend of er isolatie aanwezig is en het gebouw is van voor 1965; of
    • de isolatiedikte is niet te bepalen en het gebouw is van voor 1965; of
    • de isolatiedikte is kleiner dan 40 mm.

In overige gevallen is de aanwezigheid van een spouw niet relevant.

  1. Een spouw is een luchtruimte tussen twee bouwkundige elementen, bijvoorbeeld bij een spouwmuur, een houten vloer waarbij tegen de balken isolatiemateriaal is aangebracht of een houten vloer waarbij aan de onderzijde van de balken van de vloer een plafond is aangebracht. Een luchtlaag tussen dakpannen en het dakbeschot mag niet als spouw worden aangemerkt.
  2. Wanneer er sprake is van een spouw in een constructie en de spouw staat in verbinding met de buitenlucht via één of meerdere niet-afsluitbare openingen met een totale oppervlakte (dus gesommeerd) van minimaal 0,2 m², dan is er geen sprake van een spouw. Voor de constructie tot aan de spouw geldt dat deze grenst aan de buitenlucht.

Gevels:  Als een spouw is nageïsoleerd, waarbij de spouw is volgespoten met isolatiemateriaal, is de isolatiedikte gelijk aan de breedte van de spouw. Als deze dikte niet te bepalen is, wordt de Rc-waarde bepaald op basis van tabel 8.10.

Panelen:  Als niet bekend is of er isolatie aanwezig is of als de isolatiedikte niet te bepalen is, dan moet het algemene beslisschema uit paragraaf 8.2.14 gebruikt worden om de Rc-waarde van de panelen te bepalen. Is de isolatiedikte wel bekend, dan wordt de Rc-waarde bepaald aan de hand van onderstaande tabel. Om de Rc-waarde bij bekende isolatie te kunnen bepalen, moet het type kozijn worden opgenomen.

Vloeren: Als onder de vloer thermokussens zijn aangebracht die bestaan uit drie reflecterende folies met tussenliggende afgesloten niet-geventileerde luchtlagen dan geldt in afwijking van paragraaf 8.2.14 de volgende Rc-waarde: 1,80 m²·K/W (ongeacht aantal kamers).

Daken: Als er sprake is van afschotisolatie geldt het volgende:

  • Als er een tekening aanwezig is waarop de dikte van de afschotisolatie is aangegeven, wordt de gemiddelde isolatiedikte aangehouden;
  • Als er geen tekening aanwezig is, wordt de minimale gemeten dikte aangehouden. Er moet op vier plaatsen gemeten worden, in het midden van de randen van het dak. Gootstroken worden hierbij verwaarloosd.

Rietendaken: Gebruik het schema van afbeelding 8.38 voor het bepalen van de Rc-waarde. De dikte van het rieten dak wordt haaks gemeten op de rietlat of de houten beplating. Bij nieuwe rieten daken is de dikte van het riet aan de onderzijde circa 32 cm, naar boven toe minderend tot circa 25 cm. Naarmate het rieten dak ouder is, zal het dak door slijtage dunner worden.
Voor de diktebepaling geldt dat die aan de onderzijde gemeten moet worden. Voor de bepaling van de Rc-waarde moet echter de gemiddelde dikte van het rieten dak gebruikt worden en deze is kleiner. De gemiddelde dikte is de gemeten dikte aan de onderzijde minus 3,5 cm (er wordt 3,5 cm afgetrokken in verband met het dikteverloop).

 

De op te nemen kenmerken van de ramen voor de U-waarde zijn:

Ramen
  • Type kozijn (hout/kunststof, metaal thermisch onderbroken of metaal).
  • Type glas (drievoudig HR, HR++, HR+, dubbelglas met coating, dubbelglas zonder coating, voorzetglas of enkelglas).
  • Zonwering (zie pararagraaf 8.2.16), dit geef je op bij geometrie.
  • Overstekken (zie paragraaf 8.2.17), dit geef je op bij geometrie.

Als er beglazing zonder kozijn in de gevel is geplaatst, moet voor de bepaling van de U-waarde en g-waarde van het raam, een houten/kunststof kozijn aangehouden worden. Dit geldt ook voor bijvoorbeeld glazen bouwstenen.

  • Dubbelglas met voorzetraam moet beschouwd worden als HR-glas.
  • Dubbelglas met coating (emissie-verlagend) is HR-glas.
  • HR-glas met een voorzetraam moet beschouwd worden als HR++-glas.
  • HR++-glas met voorzetraam moet beschouwd worden als drievoudig HR-glas (HR+++-glas).
  • Als wel vastgesteld kan worden dat de beglazing voorzien is van een emissie-verlagende coating, maar niet vast is stellen of het HR++, HR+ of HR-glas betreft, moet worden uitgegaan van HR-glas;
  • Als er glas zonder kozijn in de gevel is geplaatst, wordt – om de U-waarde en g-waarde van het raam te bepalen – een houten/kunststof kozijn aangehouden.
  • Glas-in-loodramen (niet in dubbel glas geplaatst) moeten als enkel glas worden beschouwd.
  • Glazen bouwstenen worden beschouwd als beglazing en als aparte bouwdelen. In bijna alle gevallen bestaan glazen bouwstenen uit twee glasvlakken.
  • Als er stalen draairamen zijn opgenomen in houten kozijnen, moeten deze ramen gesplist worden in delen ramen met stalen kozijnen en delen met houten kozijnen. Voor de bepaling van de oppervlakte van de ramen met de houten kozijnen, moet de oppervlakte stalen kozijnen van het totale kozijnoppervlak worden afgetrokken.

De g-waarde voor grenzend aan buiten wordt getoond. Indien de keerzijde niet buiten is wordt met een g-waarde van 0 gerekend conform het protocol

 

Op te nemen kenmerk van een deur is: ongeïsoleerd of geïsoleerd.

Deuren

Er is sprake van een geïsoleerde deur als het niet-transparante deel van een houten of kunststof deur voor minimaal 65% van het totale oppervlak een ononderbroken isolatielaag bevat. Uitgaande van een forfaitaire warmtegeleidingscoëfficiënt van 0,045 W/m·K (bijlage E van NTA 8800) moet er dus een ononderbroken isolatielaag van minimaal 2,0 cm (1,8 cm wordt naar boven afgerond) aanwezig zijn. Als er een ander isolatiemateriaal in de deur is opgenomen, met een kleinere dikte, moet er van de deur een gecontroleerde verklaring beschikbaar zijn om aan te tonen dat het een geïsoleerde deur betreft.

Voor het bepalen of een deur geïsoleerd is wordt alleen naar de dichte constructie van de deur gekeken. De aanwezigheid van dubbelglas speelt dus geen rol bij de bepaling of een deur geïsoleerd is.

 

Indien het gebouw of een deel van het gebouw gerenoveerd is, geldt het volgende:

Renovatie
  • Als er bewijs is dat er bij de renovatie is gerenoveerd conform de Rc-waarde eisen die van toepassing waren in het renovatiejaar, moet – indien de isolatiedikte niet te bepalen is – uit worden gegaan van de Rc-waarde op basis van het renovatiejaar. Neem hiervan het bewijs op in het projectdossier.
  • Als er geen bewijs is dat er bij de renovatie is gerenoveerd conform de eisen die van toepassing waren in het renovatiejaar en de isolatiedikte is niet te bepalen, dan wordt uitgegaan van de Rc-waarde van de bouwjaarklasse voorafgaande aan de renovatiejaarklasse. Stel: een gebouw is in 1995 volledig gerenoveerd, de isolatiedikte van de gevel is niet te bepalen en er is geen bewijs dat de Rc-waarde van de gevel na renovatie voldoet aan de eisen die gesteld zijn in het Bouwbesluit van 1995. Voor de gevel wordt dan bouwjaarklasse ‘van 1988 tot 1992’ aangehouden.

 

Als op een later tijdstip een stuk is aangebouwd aan het gebouw, moet voor de constructies van die aanbouw het jaar van de aanbouw te worden gebruikt. Met de voorwaarde:

Later aangebouwd deel

Voorwaarde is dat aangetoond moet worden dat de thermische eisen uit het Bouwbesluit van het jaar van de aanbouw ook daadwerkelijk zijn toegepast. De bouwvergunning van de aanbouw of een rekening die beschrijft dat en hoe aan de thermische eisen uit het Bouwbesluit van het betreffende jaar is voldaan, kan bijvoorbeeld dienen als bewijs.

Als er twee of meer lagen isolatiemateriaal aanwezig zijn bij een constructie (er is bijvoorbeeld een dunne laag isolatiemateriaal in de spouw en aan de binnenzijde van de gevel is na-isolatie aangebracht), gelden de volgende regels:

Isolatiematerialen combineren
  1. Als er geen gecontroleerde verklaring van het isolatiemateriaal beschikbaar is, worden de isolatiedikten bij elkaar opgeteld. De totale isolatiedikte wordt vervolgens gebruikt om met de beslisschema’s de Rc-waarde van de constructie te bepalen.
  2. Als er van één of meerdere van de isolatiematerialen een gecontroleerde verklaring beschikbaar is, moet de Rc-waarde opnieuw bepaald worden conform onderstaande methodiek. De onderstaande methodiek is ook van toepassing als van beide isolatiematerialen een gecontroleerde verklaring beschikbaar is.

Als één of meer isolatiematerialen beschikken over een gecontroleerde verklaring moet als volgt worden gehandeld:

  1. Bepaal de Rc-waarde van de constructie alsof één van de isolatiematerialen niet aanwezig is;
  2. Bepaal de Rc-waarde van de constructie alsof het andere isolatiemateriaal niet aanwezig is;
  3. Tel de Rc-waarden van de constructies bij elkaar op;
  4. Bepaal de Rc-waarde van samengestelde constructie door van de som de Rad-waarde uit onderstaande tabel af te trekken. Gaat het om meerdere isolatiematerialen, trek dan (aantal isolatielagen -1) · Rad-waarde uit onderstaande tabel van de eerder berekende Rc-waarde af. Dus als er 3 lagen isolatiemateriaal worden gecombineerd, trek dan 2 (= 3-1) · Rad-waarde uit onderstaande tabel van de eerder berekende Rc-waarde af. De Rad-waarde hangt af van de betreffende constructie;
  5. Gebruik de Rc-waarde van samengestelde constructie, bewaar de berekening in het dossier. Vul ook de bij de gecontroleerde verklaring gegeven codering in. Als meerdere isolatiematerialen zijn voorzien van een gecontroleerde verklaring moeten de coderingen in het projectdossier worden vermeld. Als in de berekeningswijze maar één code is op te geven, wordt hier de code opgegeven van het materiaal met de hoogste Rc-waarde.

Tabel 8.7 Rad-waarde

Constructie    Rad-waarde
[m²·K/W]
Gevels waarin de isolatie is opgenomen 0,36
Vloeren waarin de isolatie is opgenomen 0,15
Daken waarin de isolatie is opgenomen 0,22

Correctie moet plaatsvinden, omdat bij de constructie naast de R-waarde van het isolatiemateriaal ook altijd de R-waarde van de constructie wordt opgeteld. Als de Rc-waarde van de constructies gesommeerd wordt, zit hier tweemaal de R-waarde van constructie in.

 


Terug naar de Constructies