Onderwerpen binnen :
Deze pagina is nog in ontwikkeling

Volg altijd het opnameprotocol voor de gegevens die ingevuld moeten worden, zie publicaties. De informatie op onze online help is een aanvulling daarop. Als wij van vanuit de rekenregels van de NTA 8800 afwijken van het opnameprotocol, zullen we dit expliciet aangeven. Neem bij twijfel contact met ons op of stel een vraag op het adviesplatform van St. KEGO.

Publicaties
ISSO 75.1 hoofdstuk 9
Ruimteverwarming utiliteit
ISSO 82.1 hoofdstuk 9
Ruimteverwarming woningbouw

De relevantie invoervelden voor het verwarmingssysteem worden bepaald aan de hand van het objecttype, de bouwfase en het opnameniveau. Zorg ervoor dat je van te voren de projectgegevens invult.

Eén rekenzone bevat één verwarmingssysteem. Dit verwarmingssysteem kan wel meerdere opwekkers hebben. Bij meerdere opwekkers wordt, ongeacht de volgorde in de software, de standaardprioritering van de NTA8800 tabel 9.1 gehanteerd:

Bij externe warmte levering wordt deze altijd als laatste opwekker geprioriteerd. Bij meerdere opwekkers met dezelfde volgorde in tabel 9.1 wordt degene met het hoogste rendement eerst ingezet.

Het kan binnen een rekenzone voorkomen dat het distributiesysteem is aangesloten op meerdere afgiftesystemen. In dat geval moet een keuze gemaakt worden welk afgiftesysteem ingerekend wordt

Publicaties
ISSO Publicatie 75.1 H9
Bepaling installatiegegevens ruimteverwarming per rekenzone

Ag aangesloten op installatie

Voor een gemeenschappelijk/collectieve installatie vul je de gegevens in van het gehele verwarmingssysteem. Op basis van m2 rekent de software dit terug naar het niveau van de rekenzone.

Aantal bouwlagen waardoor leidingen lopen

Vul hier het aantal bouwlagen van de rekenzone in.  Opnameprotocol paragraaf 9.4.5.2:

Voor woningbouw worden de leidinglengtes forfaitair bepaald op basis van de gebruiksoppervakte en het aantal bouwlagen dat is aangesloten op het distributiesysteem.

Voorbeeld is een woongebouw: 10 verdiepingen, per woning 2 verdiepingen.
Bij individuele installaties geef je dan bij ‘Aantal bouwlagen waardoor leidingen lopen’ 2 bouwlagen op.
Reken je het woongebouw (omgevingsvergunning) door met een gemeenschappelijke installatie dan geef je 10 bouwlagen op (waarbij het woongebouw uit 1 rekenzone bestaat).
Reken je 1 appartement door (oplevering nieuwbouw en bestaande bouw) dan geef je bij bouwlagen waardoor leidingen lopen 2 op (rekenzone) en voor een gemeenschappelijke installatie bouwlagen collectief ook 10 bouwlagen op.

Invloed op resultaten: Het aantal bouwlagen wordt gebruikt bij het bepalen van de maximale lengte van het distributiesysteem. De maximale lengte van het distributiesysteem wordt gebruikt bij het bepalen van de hulpenergie en de terugwinbare energie van het distributiesysteem.

Bij het bepalen van de hulpenergie van individuele warmtepompen, individuele gasgestookte ketels en individuele microWKK wordt een andere methode gebruikt waarvoor de maximale lengte van het distributiesysteem niet wordt gebruikt. In dit geval heeft het aantal bouwlagen geen invloed op de resultaten. Tenzij een additionele pomp wordt ingevoerd.

Aantal bouwlagen collectief

Bij collectieve installaties geef je hier het aantal bouwlagen op, dat is aangesloten op de (collectieve) verwarmingsinstallatie. Dus ook bouwlagen die eventueel buiten de rekenzone, of in een ander object liggen (winkelplint onder een woongebouw met dezelfde installatie).

Individuele afleverset per woning / Aantal afleversets

Het aantal afleversets is wel opgenomen in het protocol, maar niet in de NTA8800. Dit dataveld heeft geen invloed op de resultaten en zal waarschijnlijk komen te vervallen.

Aantal warmtemeters

Vul hier het aantal warmtemeters in van het gemeenschappelijk/collectieve systeem. Ook als een woning in een appartementencomplex wordt doorgerekend, moet hier het aantal warmtemeters van het hele woongebouw (indien dit gelijk is aan het aantal warmtemeters van het gemeenschappelijke/collectieve systeem) ingevuld worden.  De hulpenergie wordt verdeeld naar ratio van het gebruiksoppervlakte van de rekenzone en Ag aangesloten op installatie [m2]. Let op, dit gaat over warmtemeters op de distributieleiding en niet over warmteafgiftemeters aan radiatoren in de ruimten.

Uitzondering is ‘Warmtelevering derden gemeenschappelijk‘. Vul het aantal warmtemeters in dat past bij het object dat doorgerekend wordt. Bij een woning in een appartementencomplex is dit (meestal) 1. Bij een Appartementencomplex is dit het totale aantal warmtemeters van het complex.

Opwekker

Opwekker binnen thermische zone

Bij ‘Opwekker binnen thermische schil’ geef je de opstelplaats van de opwekker aan, deze vink je aan als deze binnen de thermische begrenzing van het gebouw valt, zie opnameprotocol onder publicaties hieronder.

Indien het opwektoestel in een ruimte staat, die zich niet binnen de thermische zone van het gebouw bevindt, moet gekozen worden voor buiten de thermische zone. De technische ruimte bij een grote installatie (systemen die een Ag > 500 m² bedienen) ligt per definitie buiten de thermische zone (dat wil zeggen, buiten het energieprestatieplichtige gebouwdeel).

Ter bepaling of leidingen in onverwarmde ruimten liggen en of de bouwkundige begrenzing van de thermische zone aan een onverwarmde ruimte ligt, dient bij technische ruimten hoofdstuk 7.1 (W) resp. 7.4 (U) toegepast te worden.

Er bestaat soms onduidelijkheid waarom Vabi om de opstelplaats van de  binnen de thermische schil vraagt. De makers van de NTA 8800 maken onderscheid in rendement bij de opwekkers die binnen of buiten de thermische begrenzing van het gebouw staan. Zie tabel 9.25 in de NTA 8800, hieronder genoemd in de publicaties.

De delen van het gebouw die worden meegenomen binnen de begrenzing van de energieprestatieberekening, worden samen de ’thermische zone’ genoemd.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 7.4
Bepaal de thermische zone en aangrenzende ruimten (Stap 3) Utiliteit
ISSO 75.1 paragraaf 9.3.5
Opstelplaats opwektoestel Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 7.1
Bepaal de thermische zone (stap 1a) Woningbouw
ISSO 82.1 paragraaf 9.3.5
Opstelplaats opwektoestel Woningbouw
NTA 8800 +A1:2020 tabel 9.25
Opwekkingsrendement voor verwarming door met gas of olie gestookte ketels en luchtverwarmers

Voldoet aan minimale COP (tabel 9.28)

Volgens de NTA 8800 kan er voor warmtepompen met een beter COP gerekend worden. Hiervoor wordt verwezen naar tabel 9.28 voor de minimale COP volgens NEN-EN 14511-2. In die tabel zijn de minimale COP-waarden vastgelegd die een warmtepomp bij testen volgens deze norm moet behalen om het hoge opwekkingsrendement uit tabel 9.27 te mogen toepassen. De volgens deze norm gemeten COP behoort boven de minimale COP te liggen in tabel 9.28 te liggen. In deze COP-waarden is een meetfout, dan wel onnauwkeurigheid van 5% reeds verdisconteerd.
Als een kwaliteitsverklaring ingevuld wordt heeft dit vinkje geen invloed op de resultaten.

Hoe, zonder kwaliteitsverklaring, bepaald kan worden of een warmtepomp hier aan voldoet geeft het opnameprotocol geen richtlijnen voor, deze zijn vervallen in versie 2 van ISSO 82.1. Omdat dit invoerveld wel onderdeel is van de EDR attesteringstesten kunnen we dit invoerveld niet achterwege laten. We raden aan om dit vinkje niet te gebruiken omdat deze geen onderdeel is van het opnameprotocol. Houd daarbij actuele ontwikkelingen in de gaten, updates van het protocol en uitspraken op het adviesplatform.
Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.3.1.3
Warmtepompen Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.3.1.3
Warmtepompen Woningbouw
NTA 8800:2020+A1:2020 nl
tabel 9.28 Minimale COP-waarden bepaald volgens NEN-EN 14511-2

WKK

Voor een WKK geef je het elektrische vermogen op. Vabi EPA bepaalt de vermogensklasse waar de WKK in valt, zie tabel hieronder (tabel 9.5 uit het opnameprotocol).

Als het een micro WKK is (Pel ≤ 2 kW), kun je aangeven of deze voldoet aan HRE. Zo ja, dan HRE label aanwezig aan vinken.

Bij het totaal vermogen opwekker wordt het thermisch vermogen opgegeven. Dit thermisch vermogen hoef je alleen op te geven voor een gemeenschappelijk/collectieve WKK en als een individuele (micro-)WKK gecombineerd wordt met meerdere opwekkers.

Tabel 9.7 uit het opnameprotocol:
Als het thermische vermogen niet bekend is maar wel het elektrisch vermogen moet de volgende vuistregel worden toegepast: thermisch vermogen is 1,5 maal het elektrisch vermogen voor gasmotoren, 1,2 voor dieselmotoren en 2,5 voor microturbines, zie voorbeeld 8.

Heeft stekker

Het uitgangspunt voor de hulpenergie is dat lokale gaskachels en oliekachels geen aansluiting hebben op het elektriciteitsnetwerk (stekker). Als een lokale gas- of olie, of biomassakachel wel een stekker heeft, dan moet je “heeft stekker” aanvinken, dan wordt de hulpenergie voor deze opwekker berekend.

Aantal lokale toestellen

Voor de berekening van de hulpenergie (lokale kachels en elektrische verwarming) is het nodig om het aantal toestellen in te vullen. Geef hier het totaal op van alle lokale toestellen binnen de rekenzone.

Open verbrandingstoestel

Voor open verbrandingstoestellen wordt in de NTA 8800 berekend hoeveel extra verse lucht hier voor nodig. Om de tijdgemiddelde verbrandingsluchttoevoercapaciteit te berekenen moet je aangeven of er een open verbrandingstoestel toestel is.

Als een open verbrandingstoestel niet gebruikt wordt voor ruimteverwarming zoals beschreven in opnameprotocol (ISSO 75.1 respectievelijk 82.1) hoofdstuk 9, dan wordt die niet meegenomen in de berekening en hoef je deze niet op te geven.

Als niet vastgesteld kan worden welk type verbrandingstoestel is toegepast, dan moet de volgende richtlijn worden gevolgd:

  • een VR- of HR-ketel wordt gerekend als een gesloten toestel;
  • een CR-ketel wordt gerekend als een open toestel en zet je het vinkje in de software aan;
  • grote installaties worden niet als een open toestel aangemerkt.

Nominale belasting

Om de tijdgemiddelde verbrandingsluchttoevoercapaciteit te berekenen moet je opgeven wat de nominale belasting is, opgegeven door de fabrikant, in kW.  Geef hier het totaal op van alle gaskachels binnen de rekenzone. Indien het vermogen van het verbrandingstoestel niet kan worden vastgesteld, dan kun je 0 invoeren. De software rekent dan met de minimale nominale belasting uit tabel 11.12 op, zie afbeelding, even zo als het opgegeven vermogen lager is dan de minimale waarde.

  • Bij een individuele conventionele ketel kies je de rekenwaarde overeenkomstig
    ‘CV-ketels’, ‘Aardgas’ (30 kW).
  • Lokale gasverwarming voor ruimteverwarming: rekenwaarde overeenkomst
    ‘Kachel’, ‘Aardgas’ (10 kW).
  • Bij een geiser en badgeiser: rekenwaarde overeenkomstig
    ‘Badgeisers’, ‘Aardgas’ (35 kW).

Tabel 11.12 Rekenwaarde specifieke verbrandingsluchttoevoercapaciteit voor verbrandingstoestellen (NTA 8800:2020 +A1:2020)

Publicaties
NTA 8800:2020 + A1:2020
tabel 11.12 Rekenwaarde specifieke verbrandingsluchttoevoercapaciteit voor verbrandingstoestellen

oliegestookte ketel

Een oliegestookte ketel kun je op dit moment nog niet invullen in EPA, je kunt dit opgeven als een CR-ketel omdat het forfaitaire rendement in de NTA 8800 hetzelfde is. Als de woning geen gasaansluiting heeft, stuur dan het monitorbestand naar ons op, dan kunnen we dat aanpassen zodat het juist doorgegeven wordt aan EP-online en de juiste gegevens op het energielabel komen te staan.

Distributie

Distributiemedium

De distributie van warmte voor ruimteverwarming vindt plaats via water van de (centraal opgestelde) opwekker naar de afgiftesystemen. In andere gevallen staat de combinatie van opwekker en afgiftesysteem in de te verwarmen ruimte. Het systeem is dan lokaal.

Als er geen lokale opwekkers aanwezig zijn en er wordt een ander distributiemedium dan water gebruikt, vraag dan het adviesplatform welke distributiemedium in de betreffende situatie aangehouden moet worden. Het opnameprotocol kent alleen water als distributiemedium.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.4.1
Distributiemedium Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.4.1
Distributiemedium Woningbouw

Wateraanvoertemperatuur

Uit het opnameprotocol, zie publicaties hieronder:

Als er sprake is van distributie door middel van water, moet het temperatuurniveau van het warme water worden opgegeven. De onderstaande ontwerptemperatuurklassen en bijhorende situaties, als de ontwerptemperatuurklasse niet te achterhalen is, zijn te onderscheiden.

Herkennen

Als er op de opwekker ook afgiftesystemen zijn aangesloten uit andere rekenzones en in de rekenzones zijn verschillende afgiftesysteem aanwezig, dan geldt de temperatuurklasse met de hoogste temperaturen.

De ontwerptemperatuurklasse moet worden afgeleid uit het installatie-ontwerp. Dit is een tekening of omschrijving met daarin ten minste type opwekkers, distributie en afgiftesysteem vermeld. Het installatie-ontwerp dient te worden opgenomen in het projectdossier.

Als er een warmtepomp bij een van de opwekkers is opgegeven, het maakt daarbij niet uit of die preferent of niet-preferent is, dan kan er alleen een hogere temperatuur dan 55/47 gekozen worden als er een kwaliteitsverklaring aanwezig is.
Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.3.4
Warm water temperatuurniveau Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.3.4
Warm water temperatuurniveau Woningbouw

Type distributie

Uit het opnameprotocol, zie publicaties

Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie type watergevoerde distributiesystemen:

  • Eenpijpssysteem;
  • Tweepijpssysteem, inclusief een Tichelmansysteem;
  • Gerenoveerd eenpijpssysteem.

Verder is bij eenpijpssystemen het aantal afgiftesystemen van belang.

Herkennen

In Nederland komen overwegend 2-pijpssystemen voor. Er is sprake van een gerenoveerd eenpijpssysteem als het debiet dynamisch is ingeregeld afhankelijk van de belasting en de distributieleidingen zijn geïsoleerd. In de leidingen moeten dan appendages aanwezig zijn die zorgdragen voor dynamische inregelen. In Nederland komt dit nagenoeg niet voor.

Indien niet bekend hoeveel afgiftesystemen op het distributiesysteem zijn aangesloten wordt er één afgiftesysteem per ruimte in de rekenzone aangehouden.

Voorbeeld

Er zijn 5 radiatoren en 1 vloerverwarmingssysteem op het betreffende distributiesysteem aangesloten, totaal zijn er dan 6 afgiftesystemen aangesloten.

Afbeelding

Afb. 9.9 Twee-pijpssysteem

Afbeelding

Afb. 9.10 Tichelman systeem (2-pijpssysteem, aanvoerleiding en retourleiding van en naar alle radiatoren even lang)

Afbeelding

Afb. 9.11 Eenpijpssysteem (retourwater radiator stroomt naar aanvoer volgende radiator)

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.4.2
Type distributiesysteem Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.4.2
Type distributiesysteem Woningbouw

Waterzijdig ingeregeld

Conform de NTA8800 (tabel 9.2) heeft het waterzijdig inregelen alleen invloed op de rekenresultaten als:

  • Type distributie = Tweepijpssysteem
  • & Afgiftesysteem = Radiatoren / convectoren
  • & Hoogte afgiftesysteem <= 4 meter

In andere gevallen kan je hem wel invullen, maar heeft het geen invloed. Normaliter zijn deze velden niet zichtbaar. In dit geval is hij toch zichtbaar omdat pas bij het afgiftesysteem kan worden bepaald of het relevant is.

Uit het opnameprotocol, zie publicaties:

Een verwarmingsinstallatie wordt als waterzijdig ingeregeld beschouwd als tenminste 90% van de installatie waterzijdig is gebalanceerd. Als er meerdere balanceringssystemen binnen één installatie worden toegepast, dan is het systeem dat het meeste voorkomt het systeem dat geldt voor de hele verwarmingsinstallatie.

Herkennen

Er is alleen sprake van waterzijdig ingeregeld als er een verklaring is die voldoet aan de eisen uit 9.1.3.
In bestaande gebouwen is er nauwelijks ingeregeld. In de opname wordt er dan dus gekozen voor ‘Onbekend (niet ingeregeld)’.

Paragraaf 9.1.3 Te gebruiken informatiebronnen

4 In dit hoofdstuk is enkele malen sprake van het waterzijdig inregelen (hydraulisch balanceren) van een installatie volgens NEN-EN 14336. Hiervan mag alleen gebruik gemaakt worden als:

    • De verklaring maximaal 4 jaar oud is. Aan deze voorwaarde van 4 jaar hoeft niet te worden voldaan als aan alle onderstaande voorwaarden voldaan wordt:
      • De verklaring van inregeling eerder in een Energieprestatieberekening is gebruikt;
      • En is geregistreerd bij RvO;
      • En er geen installatietechnische wijzigingen in de installatie voor ruimteverwarming zijn aangebracht.
    • De volgende informatie in het rapport, verklaring of certificaat staat:
      • Dat er is ingeregeld volgens NEN-EN 14336;
      • Datum van afgifte of uitvoering;
      • Uitvoerende partij (bedrijfsnaam, -logo en vestigingsadres). Deze organisatie is niet (onderdeel van de organisatie van) de opdrachtgever;
      • Adres waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd;
      • Welke installaties zijn ingeregeld:
        • Verwarming, koeling of tapwater;
        • Distributie of afgifte;
        • Gehele gebouw of delen van het gebouw.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.4.3
Distributiesysteem waterzijdig ingeregeld Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.4.3
Distributiesysteem waterzijdig ingeregeld Woningbouw

Circulatiepomp

In installaties zijn pompen opgenomen om het warme water te laten circuleren. Het gaat dan om een hoofdcirculatiepomp bij een collectief verwarmingssysteem. Bij warmtelevering door derden komt een hoofdcirculatiepomp altijd voor als de warmte via een warmtewisselaar aan het gebouw wordt afgegeven. Alle circulatiepompen in het distributiesysteem die niet integraal met de opwekker zijn opgenomen moeten worden meegenomen.

Geef het totale vermogen van het aangesloten distributiesysteem op. Het energiegebruik zal naar rato van gebruiksoppervlak verdeeld worden over de rekenzones en/of objecten.

Publicaties

Tweede circulatiepomp

In installaties zijn pompen opgenomen om het warme water te laten circuleren. Het gaat om een circulatiepomp voor vloerverwarming bij een individueel systeem of om aanvullende circulatiepompen bij een collectief systeem die nog niet zijn opgegeven bij de circulatiepomp.  Geef het totale vermogen op van de extra circulatiepompen aangesloten op het distributiesysteem. Het energiegebruik zal naar rato van gebruiksoppervlak verdeeld worden over de rekenzones en/of objecten.

Leidinglengte distributieleidingen en maximale leidinglengte

  • EPA-U

Als de werkelijke lengte bekend is, dan vul je bij Leidinglengte distributieleidingen de leidinglengte van het distributiesysteem in, dus niet alleen de lengte door verwarmde ruimte, maar de totale leidinglengte. Het adviesplatform vult daar op aan:

De totale leidinglengte, d.w.z. heen en terug, moet worden opgegeven. De leidinglengte wordt per verwarmingsinstallatie opgegeven en niet per rekenzone. De slangen van de de vloerverwarming horen bij het afgiftesysteem en niet bij het distributiesysteem.

De Maximale leidinglengte is de afstand tussen de opwekker en het verst gelegen afgiftesysteem (voor oppervlakteverwarming wordt de verst gelegen verdeler aangehouden).

Als deze niet bekend is en je kies voor Onbekend, dan worden deze forfaitair berekend aan de hand van het gebruiksoppervlak.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.4.5
Omgeving distributieleidingen Utiliteit

Leidingen geïsoleerd (binnen de rekenzone)

Geef hier de gegevens op van de distributieleidingen binnen de rekenzone(s). Dit zijn verwarmde ruimten, maar kunnen ook onverwarmde ruimten zijn. Voor een basisopname kun je alleen opgeven Ja, Nee, Onbekend (rekenwaarde = Nee). Voor detailopname kun je zowel voor geïsoleerde als niet-geïsoleerde distributieleidingen kiezen of detailinvoer bekend is of niet, of dat onbekend is of de distributieleidingen geïsoleerd zijn.

Uit het opnameprotocol, zie publicaties:

Er is sprake van geïsoleerde leidingen als meer dan 90% van de leidinglengte van isolatiemateriaal is voorzien. Aan het 90%-criterium wordt voldaan als leidingen zijn geïsoleerd en de appendages en beugels niet zijn geïsoleerd. Dit wordt per verwarmingssysteem bepaald.

Als er binnen een distributiesysteem voor ruimteverwarming, zowel leidingen omringd zijn door lucht, als ingebed in een constructie dan wordt bepaald welke situatie het meest voorkomt, deze situatie wordt dan opgegeven.

Als er binnen een distributiesysteem voor ruimteverwarming leidingen met variërende diameter en/of isolatiedikte voorkomen, dan wordt bepaald welke situatie het meest voorkomt. Deze situatie wordt dan opgegeven.

Herkennen

Isolatie rondom verwarmingsleidingen is meestal te herkennen aan een buisvorming schuimachtig materiaal of minerale wol dat de (metalen) verwarmingsleiding bekleed.
Bij leidingen die zijn ingestort in de vloer of de wand (ingebed) kan veelal uitgegaan worden van niet geïsoleerde leidingen.

Voor situaties waarbij minder dan 90% van de totale leidinglengte geïsoleerd is, wordt de hele leidinglengte beschouwd als niet geïsoleerd.
Ingebedde geïsoleerde circulatieleidingen komen in de praktijk weinig voor.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.4.5
Distributieleidingen Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.4.5
Distributieleidingen Woningbouw

Ja/Nee, detailinvoer bekend

  • Detail

Uit het opnameprotocol, zie publicaties hierboven:

[DETAIL] Herkennen

Van de gebruikte isolatiematerialen moet de warmtegeleidingscoëfficiënt λP bepaald worden. De warmtegeleidingscoëfficiënten van veel gebruikte isolatiematerialen staan in bijlage K. De warmtegeleidingscoëfficiënt wordt gegeven in W/m·K. De warmtegeleidingscoëfficiënten van veel gebruikte constructiematerialen staan in bijlage E van de NTA 8800. De warmtegeleidingscoëfficiënt wordt gegeven in W/m·K.

Als de mate van isolatie van de leidingen wordt bepaald bij een detailopname, zijn er drie situaties te onderscheiden:

  • Vrij liggende, geïsoleerde leidingen;
  • Geïsoleerde leidingen ingebed in vloer, wand of plafond;
  • Ongeïsoleerde leidingen.
Afbeelding

Afb. 9.12 Schematische voorstelling van een leiding ingebed in een constructie

DETAIL Bepalen
  • Bepaal per distributiesysteem of deze geïsoleerde of ongeïsoleerde leidingen heeft;
  • [DETAIL] Bepaal per distributiesysteem of de leidingen ingebed zijn of vrijliggend;
  • [DETAIL] Bepaal van vrij liggende geïsoleerde leidingen:
    • Bepaal de buitendiameter van de leiding zonder isolatie (db);
    • Bepaal de buitendiameter van de leiding inclusief isolatie) (dd);
    • Bepaal de warmtegeleidingscoëfficiënt van het toegepaste isolatiemateriaal (λi).
  • [DETAIL] Bepaal van geïsoleerde leidingen ingebed in vloer, wand of plafond:
    • Bepaal de buitendiameter van de leiding zonder isolatie (db);
    • Bepaal de buitendiameter van de leiding inclusief isolatie) (dd);
    • Bepaal de warmtegeleidingscoëfficiënt van het toegepaste isolatiemateriaal (λi);
    • Bepaal de diepte van de leiding van het distributiesysteem in de vloer, wand of plafond gemeten vanaf de oppervlakte van de betreffende constructie aan de binnenzijde van de rekenzone;
    • Bepaal de warmtegeleidingscoëfficiënt van het materiaal, waarin de leiding is ingebed.
  • [DETAIL] Bepaal van ongeïsoleerde leidingen:
    • Bepaal de binnendiameter van de leiding (binnenzijde van de leiding; is de buitendiameter minus de 2 maal wanddikte van de leiding (d0);
    • Bepaal de buitendiameter van de leiding (db);
    • Bepaal de warmtegeleidingscoëfficiënt van het toegepaste leidingmateriaal (λb).

Afbeelding

Afb. 9.13 Isolatiekenmerken leiding

Voor situaties waarbij de leidingdiameters in het systeem variëren, de specificaties (warmtedoorgangscoëfficiënt of dikte) van de isolatie anders zijn of leidingdelen niet geïsoleerd zijn of leidingdelen zijn ingebed en andere vrijliggend zijn, moet de meest voorkomende situatie worden opgenomen. Dit is dan de situatie die van toepassing is op de grootste lengte van de leiding.

Voor het handmatig berekenen van de lineaire thermische transmissie (warmteverliezen) wordt verwezen naar formules 9.33 t/m 9.35 van de NTA 8800.

Publicaties
NTA 8800 +A1:2020 formules 9.33 t/m 9.35
9.4.2.2 Berekening van de lineaire thermische transmissie Ψ zi/j van distributieleidingen (NEN-EN 15316-3:2017, 6.4.3)
NTA 8800 +A1:2020 bijlage E
Bepaling van de rekenwaarde van de warmtegeleidingscoëfficiënt respectievelijk warmteweerstand van bouwmaterialen

Isolatiejaar

Bepaal in het geval van geïsoleerde leidingen, wat het jaar van installatie is. Bij een onbekend jaar van installatie moet het bouwjaar gehanteerd worden.

Leidingen aanwezig in een niet-geïsoleerde buitenwand en/of vloer

  • Basis
  • Detail

Indien er niet geïsoleerde leidingen zijn, vink dan aan als deze niet geïsoleerde leidingen lopen in niet geïsoleerde buitenmuren of in een niet geïsoleerde vloer (die onderdeel is van de thermische schil). Als er wel niet geïsoleerde leidingen zijn en deze lopen door geïsoleerde buitenmuur of geïsoleerde vloer dan is het antwoord op deze vraag ‘Nee’. Buitenmuren en vloeren van gebouwen gebouwd na 1982 worden als geïsoleerd beschouwd.

Appendages en beugels geïsoleerd

Er is sprake van geïsoleerde appendages en beugels als alle appendages en beugels in de rekenzone aantoonbaar (visueel) zijn geïsoleerd. Indien onbekend omdat niet alle appendages en beugels zijn te inspecteren wordt ongeïsoleerd aangehouden. Het gaat om alle bevestigingsbeugels, kleppen of andere appendages van het totale distributiesysteem aangesloten op de verwarmingsinstallatie.

Leidingen door onverwarmde ruimte

Als de leidingen uitsluitend door de rekenzone lopen, dan vink je deze niet aan. Het gaat hier om distributieleidingen door aangrenzende onverwarmde ruimten, dat zijn in ieder geval leidingen die door aangrenzende onverwarmde ruimten (AOR), door aangrenzende onverwarmde serre (AOS), door een kruipruimte, via buiten of door water lopen.

Leidingen lengte

Geef de werkelijke lengte van distributieleidingen door aangrenzende onverwarmde ruimte op als deze bekend is. Alleen als de leidinglengte door onverwarmde ruimte niet bekend is, kun je voor onbekend kiezen, de software rekent dan met 15% van de forfaitaire berekening van de totale leidinglengte van het systeem of 15% van de ingevoerde werkelijke leidinglengte (utiliteit).

Leidingen geïsoleerd (door aangrenzende onverwarmde ruimten)

Geef hier de gegevens op van de distributieleidingen buiten de rekenzone(s) door aangrenzende onverwarmde ruimten. De gegevens die je op moet geven zijn dezelfde als voor distributieleidingen binnen de rekenzone, zie voorgaande paragrafen.

Afgiftesysteem

Radiatoren bij ruimtes hoger dan 4 meter

Radiatoren in een ruimte van meer dan 4 meter kan momenteel niet ingevuld worden in de software. Dit komt doordat het een omissie in de NTA is. Het Energieprestatie-adviesplatform adviseert hierover het volgende: Vooralsnog kan je deze radiatoren invullen als radiatoren bij een ruimte kleiner dan 4 meter. Wanneer er sprake is van ventilatorconvectoren kan je dit invullen als luchtverwarming in ruimte hoger dan 4 meter. Als dit watergevoede systemen zijn, kan je dit invullen als donkerstralers in ruimte hoger dan 4 meter.

Type afgifte (oppervlakteverwarming)

  • Detail

Als de woonkamer / grootste ruimte van de rekenzone een maximale hoogte heeft van 4 meter, dan moet je bij vloer- en plafondverwarming het type afgifte opgeven: deklaag < 2 cm of ≥ 2 cm. Als de deklaag ≥ 2 cm, dan moet op je kiezen tussen een droog- en natbouwsysteem. Bij een natbouwsysteem liggen de verwarmingsbuizen op de vloerisolatie, bij een droogbouwsysteem zijn ze erin verwerkt. Kies je voor onbekend, dan wordt dit berekend als een deklaag ≥ 2 cm met natbouwsysteem.

ISSO opnameprotocol tabel 9.19

Isolatie eisen (oppervlakteverwarming)

  • Detail

Als de woonkamer / grootste ruimte van de rekenzone een maximale hoogte heeft van 4 meter, dan moet je bij vloer- en plafondverwarming ook aangeven aan welke isolatie eisen deze voldoet: eis A of B, of voldoet niet aan de eisen. Dit wordt beschreven in tabel 9.20 uit het ISSO opnameprotocol (zie publicaties hieronder). Als er voor onbekend wordt gekozen, dan wordt doorgerekend als ‘voldoet niet aan eis A en B’.

ISSO opnameprotocol tabel 9.20

Isolatie hoge ruimten (oppervlakteverwarming)

  • Detail

Ook als de woonkamer / grootste ruimte van de rekenzone hoger is dan 4 meter, dan moet je bij oppervlakte verwarming (vloer-wand- of plafondverwarming) aangeven welke isolatie is toegepast bij het oppervlakte verwarmingssysteem. Daarvoor is het nodig de steek te weten, zie afbeelding 9.15 uit het opnameprotocol (zie publicaties hieronder).

Dit kan zonder isolatie zijn, gespecificeerd in een steek van meer of minder dan 20 cm. Of opgenomen in de component (minimumisolatie in overeenkomst met de NEN-EN 1264-reeks), gespecificeerd met een bereik van meer of minder dan 10 cm. Het kan ook zijn dat het systeem thermisch ontkoppeld, bij een bereik van ≤ 10 cm (Ubottom plate is dan ≤ 0,35 W / (m2·K)). Als er voor onbekend wordt gekozen, dan wordt doorgerekend als ‘zonder isolatie, steek >20 cm’. Op dit moment ontbreekt hierop nog een toelichting in het opnameprotocol, vragen kunnen gesteld worden op het adviesplatform.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.5
Afgiftesysteem voor ruimteverwarming Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.5
Afgiftesysteem voor ruimteverwarming Woningbouw

Terug naar de Installaties