Volg altijd (de juiste druk van) het opnameprotocol voor de gegevens die ingevuld moeten worden, zie publicaties. De informatie op onze online help is een aanvulling daarop. Als wij van vanuit de rekenregels van de NTA 8800 afwijken van het opnameprotocol, zullen we dit expliciet aangeven. Neem bij twijfel contact met ons op of stel een vraag op het adviesplatform van St. KEGO.
Publicaties
Ruimteverwarming Utiliteit
ISSO 75.1 hoofdstuk 9
Ruimteverwarming woningbouw
ISSO 82.1 hoofdstuk 9
Ruimteverwarming
Praktijkboek Energieprestatie gebouwen

Verwarmingssysteem

De relevantie invoervelden voor het verwarmingssysteem worden bepaald aan de hand van het objecttype, de bouwfase en het opnameniveau. Zorg ervoor dat je van te voren de projectgegevens invult.

Eén rekenzone bevat één verwarmingssysteem. Om het hoofdverwarmingssysteem te bepalen, volg het opnameprotocol zie publicaties hieronder. Een verwarmingssysteem kan in meerdere rekenzones gebruikt worden.

Publicaties
Verwarmingssysteem Utiliteit
ISSO 75.1 paragraaf 9.2
Verwarmingssysteem Woningbouw
ISSO 82.1 paragraaf 9.2
Verwarmingssysteem
Praktijkboek Energieprestatie gebouwen

Systeem

Bij systeem geef je op of het een individuele installatie is, of gemeenschappelijk/collectief. Meestal is dit onderscheid duidelijk, maar niet in alle situaties. Een gemeenschappelijk cv-ketel die in meerdere woningen wordt gebruikt voor verwarming is gemeenschappelijk/collectief, maar een cv-ketel die in meerdere rekenzones wordt toegepast is niet per definitie gemeenschappelijk. Beargumenteer je keuze goed in het projectdossier, of leg de praktijksituatie voor bij het platform van Stichting KEGO.

Ook voor warmtelevering derden is er een onderscheid tussen individueel en gemeenschappelijk. De scheiding tussen de leverancier en de afnemer bepaalt of dit gemeenschappelijk of individueel is. Zijn er meerdere woningen aangesloten op een centrale afleverset, dan is dit gemeenschappelijk. Je geeft dan bij het gehele systeem achter de centrale afleverset op, de verliezen worden oppervlakte gewogen verdeeld naar de aangesloten rekenzone(s). Heeft iedere woning zijn eigen aansluiting op het warmtenet, dan is er sprake van warmtelevering derden individueel. De distributieverliezen tot de aansluiting horen dan bij het rendement van het warmtenet.

Als een gemeenschappelijk systeem ingevuld wordt, moet de invoer van o.a. pompen, leidingslengten, en bouwlagen ook van de totale gemeenschappelijke installatie gedaan worden. Op basis van de verhouding van het aangesloten oppervlakte zal het energieverbruik hiervoor conform de NTA8800 worden verdeeld.  Bijvoorbeeld: Reken je een appartement in een woongebouw door: vul dan het totale gemeenschappelijke systeem in.

Totaal gebruiksoppervlakte systeem [m2]

Voor een gemeenschappelijke/collectieve installatie vul je de gegevens in van het gehele verwarmingssysteem.

Je hoeft het totaal gebruiksoppervlakte systeem alleen in te vullen als dit verwarmingssysteem ook buiten de begrenzing van het energieprestatieplichtige deel gebruikt wordt. Wordt het verwarmingssysteem alleen/volledig in de rekenzone(s) binnen het energieprestatieplichtige deel gebruikt, dan kun je 0 invullen, de software rekent dan zelf de totale gebruiksoppervlakte van het verwarmingssysteem uit.

Op basis van m2 die je hier invult rekent de software de verliezen terug naar het niveau van de rekenzone (fgebouw in de NTA 8800). Deze verhouding wordt ook gebruikt bij een kwaliteitsverklaring om de bruto warmtebehoefte van de gemeenschappelijke installatie te berekenen, de bruto warmtebehoefte van de (aangesloten) rekenzone(s) wordt gecorrigeerd voor het totaal gebruiksoppervlakte van het verwarmingssysteem (Totaal gebruiksoppervlakte systeem) om tot de bruto warmtebehoefte van de gemeenschappelijke installatie te komen.

Rekenvoorbeeld
De energieprestatie wordt bepaald voor een deel van het gebouw. De aangesloten rekenzones hebben een gebruiksoppervlak van 1000 m² en het totaal aangesloten gebruiksoppervlak van de gemeenschappelijke installatie is 5000 m², zie afbeelding hieronder. Het object (de rekenzone) heeft een bruto warmtebehoefte van 1820 kWh per jaar. De software rekent de bruto warmtebehoefte van de installatie uit naar verhouding van de oppervlaktes:
1820 kWh per jaar × 5000 m² / 1000 m² = 9100 kWh per jaar die de gemeenschappelijke installatie in totaal moet leveren. Deze waarde wordt in de software getoond. De ingevulde waarde bij totaal gebruiksoppervlakte systeem is dus van invloed op de bruto warmtebehoefte en kan van invloed zijn op het wel of niet mogen toepassen van een kwaliteitsverklaring.
Kwaliteitsverklaring
De waarde van de totale installatie moet gebruikt worden voor de kwaliteitsverklaring, die bruto warmtebehoefte is dus groter dan van deze rekenzone alleen.
Tip: als meerdere rekenzones gebruikmaken van dit verwarmingssysteem, vul die dan eerst in en geef bij installatie aan dat hetzelfde verwarmingssysteem gebruikt wordt, voordat je een kwaliteitsverklaring gaat invullen. Als er een zonneboiler toegepast wordt, die ook voor verwarming gebruikt wordt, vul die dan ook eerst in. Wordt achteraf een kwaliteitsverklaring bij de zonneboiler ingevuld, ga dan terug naar het verwarming invoerscherm zodat de BCRG koppeling geraadpleegd kan worden om opnieuw te interpoleren, of controleer of de bruto warmtebehoefte gewijzigd is zodat je zelf opnieuw moet interpoleren.
Het kan zijn dat de bruto warmtebehoefte daardoor buiten het bereik van de verklaring komt te liggen. De verklaring mag dan niet gebruikt worden, er moet forfaitair gerekend worden door de kwaliteitsverklaring uit te vinken. Geef in het projectdossier aan waarom de kwaliteitsverklaring niet gebruikt kan worden, noteer daarbij de bruto warmtebehoefte van de totale installatie.

Als er meerdere opwektoestellen cascade opgesteld staan, raadpleeg de invulinstructie op de laatste pagina van “Veelgestelde vragen gebruikers v20241024.pdf” te raadplegen bij BCRG.

Opwekkers in een cascade opstelling

Uit BCRG document Veelgestelde vragen gebruikers v20241024.pdf van 24-10-2024

Aantal bouwlagen collectief (vervallen vanaf versie 9.0)

Dit hoef je vanaf versie 9.0 niet meer in te vullen. Dit geeft je bij distributie op, zie Aantal bouwlagen waardoor leidingen lopen.

Vervallen vanaf versie 9.0
Bij collectieve installaties geef je hier het aantal bouwlagen op, dat is aangesloten op de (collectieve) verwarmingsinstallatie. Dus ook bouwlagen die eventueel buiten de rekenzone, of in een ander object liggen (winkelplint onder een woongebouw met dezelfde installatie).

Aantal identieke systemen

Bevat een rekenzone meerdere identieke systemen, dan kun je het aantal identieke systemen aanpassen. Je vult alle gegevens dan per systeem in, in plaats van het totaal van de (aangesloten) rekenzone(s).

Auto: standaard wordt het aantal identieke installaties automatisch bepaald. 1 bij een collectief / gemeenschappelijk systemen en het aantal woonfuncties (indien van toepassing) bij individuele installatie. Om een afwijkend aantal identieke installaties op de te geven, zet je het vinkje bij ‘ Auto’ uit.

Het aantal identieke systemen gaat om het geheel van het verwarmingssysteem, dus alle invoervelden (opwekker, distributie, afgifte), en niet alleen het aantal opwekkers. Bijvoorbeeld in een woongebouw heeft iedere woning dezelfde, individuele installatie.

Aantal warmteopwekkers

Een verwarmingssysteem kan meerdere opwekkers hebben. Uit het opnameprotocol:

Indien er meerdere identieke opwekkers aanwezig zijn met een gelijk opwekkingsrendement en identieke brandstof, dan wordt dit gelijkgesteld aan één opwekkingstoestel met een totaal nominaal vermogen* dat gelijk is aan de som van de nominale vermogens van deze toestellen.

Bijvoorbeeld twee (of meer, bijvoorbeeld in cascade opstelling) HR107 cv-ketels, dan vul je Een in bij Aantal opwekkers. Ook bij verwarming uitsluitend met split units / airco’s die kunnen koelen en verwarmen, dan vul je deze in als Een opwekker. Het aantal binnenunits / ventilatorconvectoren geef je bij Afgiftesysteem op bij het aantal ventilatoren.

* Het nominaal vermogen hoef je alleen in te vullen bij gemeenschappelijke opwekkers, of bij twee of meer (verschillende) opwekkers.

Bij meerdere opwekkers wordt, ongeacht de volgorde in de software, de standaardprioritering van de NTA8800 tabel 9.1 gehanteerd. Bij externe warmte levering wordt deze altijd als laatste opwekker geprioriteerd. Bij meerdere opwekkers met dezelfde volgorde in tabel 9.1 wordt degene met het hoogste rendement eerst ingezet.

Energielabel: voor het doorgeven in het registratiebestand, of er een hybride opstelling aanwezig is, wordt opwekker1 altijd als preferent toestel gezien en opwekker 2 en 3 als niet-preferent. Voor het verbeteradvies op het energielabel is het daarom nodig de warmtepomp bij opwekker 1 in te vullen. RvO heeft namelijk bepaald dat bijv. een cv-ketel als preferent toestel en elektrische warmtepomp als niet-preferent toestel niet als hybride gezien wordt. Als je de cv-ketel als preferent toestel invult, komt er voor verwarming een verbeteradvies op het energielabel te staan. Vul je de elektrische warmtepomp als preferent toestel in, dan komt er geen verbeteradvies voor verwarming op het energielabel.
Let op! Er wordt wel rekening gehouden met de invoer van de hoofdverwarming (opwekker 1) en bijverwarming (opwekker 2). De waarde voor het opwekkingsrendement waarmee gerekend wordt, is bepaald naar aanleiding van de invoer van een hoofd- of een bijverwarming is, zie tabel 9.25. Dit is alleen van toepassing wanneer de eerste en tweede opwekker beiden verbrandingsketels zijn. Is er een warmtepomp als opwekker aanwezig, dan wordt vanaf versie 10.0 voor de verbrandingsketel het rendement van de bijverwarming genomen.

Aantal warmteopwekkers bij warmtepompen

Aandachtspunten uit het opnameprotocol:

  • Een warmtepomp kan zijn uitgevoerd met (bivalent) of zonder bijstook (monovalent). De warmtepomp inclusief bijstook kan in één omkasting zitten. Het vermogen van de warmtepomp heeft alleen betrekking op de warmtepomp en niet op de bijstook. Bijstook bij warmtepompen moet je als aparte opwekker opnemen.
  • Elektrische back-up elementen, die in veel elektrische warmtepompen voorkomen, worden niet gezien als tweede opwekker.
  • Bij warmtepompen met ‘zowel buitenlucht als retour-/afvoerlucht’ als bron moet je in de forfaitaire methode als bron ‘buitenlucht’ opgeven. Een warmtepomp die gebruikmaakt van de warmte uit retour- en afvoerlucht van een gebouw zal in het algemeen niet in de volledige warmtevraag van het gebouw kunnen voorzien. Er moet dan een tweede opwekker aanwezig zijn.

Bij een warmtepomp op ventilatieretourlucht moet een tweede opwekker ingevuld worden, het Aantal warmteopwekkers is dan minimaal Twee. De software geeft hier een invoercontrole van als er geen tweede opwekker ingevuld is:

Publicaties
Warmtepompen Utiliteit
ISSO 75.1 paragraaf 9.3.1.3
Warmtepompen Woningbouw
ISSO 82.1 paragraaf 9.3.1.3
Warmtepompen
Praktijkboek Energieprestatie gebouwen paragraaf 9.3.1.3

Opwekker

Aantal toestellen met waakvlammen

Voor een CR en een VR subtype opwekker kun je opgeven hoeveel waakvlammen er in de rekenzone aanwezig zijn. Bij individuele toestellen is dit er doorgaans 1, heb je een cascade opstelling, of meer toestellen van hetzelfde toestel, kan het dus zijn dat er meer dan 1 waakvlam is. Collectieve opwekkers kunnen meer dan 1 waakvlam per toestel hebben.

Bron waterpomp

Uit het Praktijkhandboek, de begrippenlijst

Warmte- en koudeopslag (WKO):
Dit is een methode om energie in de vorm van warme en/of koude op te slaan in de bodem. Deze techniek wordt gebruikt om gebouwen te verwarmen en/of te koelen. Bij warmte- en koudeopslag onderscheiden we twee soorten systemen: (1) Doubletsysteem: energieopslagsysteem dat gebruik maakt van (series van) twee putten. De filters waarmee het warme en koude water in de bodem worden teruggebracht, bevinden zich op dezelfde diepte binnen één watervoerend pakket; (2) Recirculatiesysteem: een (doublet)systeem dat continue op dezelfde plaats grondwater onttrekt en continue op dezelfde plaats grondwater in de bodem terugbrengt. Deze systemen maken geen gebruik van opgeslagen warmte en koude, maar van de (constante) natuurlijke grondwatertemperatuur.

Een WKO vul je in als Type warmtepomp = Water / water.
De Bron warmtepomp = Grondwater (aquifer) / bron < 15°C.

Is additioneel geplaatst bij renovatie

Je kunt deze aanvinken als er een preferente opwekker bijgeplaatst wordt. Als “Additioneel geplaatst” bij een preferente opwekker aangevinkt is, dan volgt de NTA 8800 een andere berekening om het samengesteld opwekkingsrendement (van alle opwekkers samen) te berekenen. Uit het opnameprotocol 7e druk:

Indien bij renovatie en/of wanneer de verwarmingsinstallatie is aangepast ten opzichte van de oorspronkelijke situatie (bij oplevering) en waarbij additioneel een preferente opwekker is toegepast, moet je dat aangeven. Het gaat hierbij om het bijplaatsen van een toestel en niet het vervangen van een toestel. Het kan echter wel zijn dat het oorspronkelijke toestel ook vervangen wordt, zoals bij het vervangen van een combiketel voor een nieuwe combiketel met warmtepomp (hybride warmtepomp).

Alleen voor de bouwfase “bestaande bouw” kun je aangeven of een opwekker additioneel geplaatst is. Dit kan alleen voor de preferente opwekker aangevinkt worden, waarbij de prioritering van de NTA 8800 bepaalt welk toestel preferent is. Als het vinkje aangezet wordt voor een opwekker die niet preferent is, zal de software een foutmelding geven. Klik hieronder om te zien hoe de prioritering in de NTA 8800 beschreven is.

NTA 8800: standaard prioritering opwekkers

Toelichting KEGO

https://portaal.stichtingkego.nl/support/solutions/articles/101000565143

Wanneer een warmtepomp wordt bijgeplaatst bij een bestaande gasketel, moet “additioneel geplaatst bij renovatie” worden aangevinkt. Moet dat ook wanneer tegelijk met het plaatsen van de warmtepomp de bestaande gasketel wordt vervangen door een nieuwe ketel en zo ja, moet dan bij de ketel deze optie ook worden aangevinkt?

ISSO 82.1/75.1 – basis – detail

Wanneer een warmtepomp wordt bijgeplaatst bij een bestaande ketel, wordt de warmtepomp op grond van het rendement de preferente opwekker. Het vinkje “additioneel geplaatst bij renovatie” kan alleen worden aangevinkt bij de preferente opwekker. Wanneer je het ook aanvinkt bij de 2e opwekker, krijg je een foutmelding. “additioneel geplaatst bij renovatie” is altijd van toepassing op een warmtepomp die wordt bijgeplaatst bij een bestaande verwarmingsinstallatie. Het is daarbij niet relevant of de bestaande opwekker daarnaast ook wordt vervangen door een nieuwe opwekker.

22-11-2025

versie 8.xx
In EPA versies 8.x wordt bij een additioneel geplaatste opwekker de warmtebehoefte (nog) niet gecorrigeerd met het aantal opgegeven installaties of bij een gemeenschappelijke opwekker niet oppervlakte gewogen verdeeld naar de rekenzone. Dat is van invloed op het resultaat als de additioneel geplaatste preferente opwekker niet voldoende vermogen heeft. De verdeling van warmtebehoefte is niet duidelijk opgeschreven in de NTA 8800 en we kunnen een bugfix helaas nog niet doorvoeren i.v.m. EDR testen en attestering. De toetswaarden van de EDR testen moeten aangepast worden, of we hebben toestemming nodig van onze certificerende instelling.
Bij individuele installaties, waar de verwarmingsinstallatie en de berekende woning volledig op zichzelf staan, is dit niet van invloed op de berekening. Bij collectieve installaties kan het recht doen aan de situatie om het vinkje uit te zetten. Hoe kleinere de doorgerekende rekenzone, ten opzicht van het aangesloten oppervlak, hoe groter de invloed op het resultaat.

Vanaf versie 9.0 wordt de warmtebehoefte wel gecorrigeerd voor het aantal opwekkers en oppervlakte gewogen verdeling bij een gemeenschappelijke opwekker, omdat de betreffende EDR-test tijdelijk is vervallen. Dit kan (tijdelijk) een verschil geven met andere softwareleveranciers (bijvoorbeeld Uniec 3.1). Vanaf versie 10.0 zouden de resultaten hierbij weer gelijk moeten zijn met Uniec versie 3.2.

 

Publicaties

Opwekker binnen thermische zone

Bij ‘Opwekker binnen thermische zone’ geef je de opstelplaats van de opwekker aan, deze vink je aan als deze binnen de thermische begrenzing van het gebouw valt, zie opnameprotocol onder publicaties hieronder.

Indien het opwektoestel in een ruimte staat, die zich niet binnen de thermische zone van het gebouw bevindt, moet worden gekozen voor buiten de thermische zone. De technische ruimte bij een grote installatie (systemen die een Ag > 500 m² bedienen) ligt per definitie buiten de thermische zone (dat wil zeggen, buiten het energieprestatieplichtige gebouwdeel).

Opmerking: In hoeverre de technische ruimte als aangrenzende verwarmde ruimte (AVR) of aangrenzend onverwarmde ruimte (AOR) moet worden beschouwd, moet worden bepaald op basis van paragraaf 8.2.8.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.3.5
Opstelplaats opwektoestel Utiliteit
ISSO 75.1 paragraaf 8.4
Begrenzing constructies Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.3.5
Opstelplaats opwektoestel Woningbouw
ISSO 82.1 paragraaf 8.4
Begrenzing constructies Woningbouw

Voldoet aan minimale COP (tabel 9.28)

  • EPA-W

Uit het opnameprotocol, zie publicaties

Bepaal bij elektrische warmtepompen zonder gecontroleerde verklaring of zij voldoen aan tabel 9.28 van de NTA 8800.
Als de gemeten COP volgens NEN-EN 14511 hoger is dan in tabel 9.5 (tabel 9.28 van NTA 8800) is beschreven, dan moet je dit aangegeven.

In ISSO publicatie 75.1 voor Utiliteit wordt in paragraaf 9.3.1.3 ook aangegeven dat je moet opnemen of de warmtepomp aan tabel 9.28 voldoet. Dit sluit echter niet aan bij de NTA 8800. In NTA 8800 verwijst alleen tabel 9.27 (rendementen voor categorie woningbouw) naar tabel 9.28. Tabel 9.29 voor categorie Utiliteit verwijst niet naar tabel 9.28 en kun je daarom niet invullen in Vabi EPA. Ook voor collectieve opwekkers en warmtepompen groter dan 25 kW wordt NTA 8800 tabel 9.29 gebruikt en kun je ook bij woningbouw niet gebruiken maken van de COP die voldoet aan tabel 9.28.
Publicaties
ISSO 82.1 paragraaf 9.3.1.3
Warmtepompen Woningbouw

WKK

Voor een WKK geef je het elektrische vermogen op. Vabi EPA bepaalt de vermogensklasse waar de WKK in valt, zie tabel hieronder (tabel 9.5 uit het opnameprotocol).

Als het een micro WKK is (Pel ≤ 2 kW), kun je aangeven of deze voldoet aan HRE. Zo ja, dan HRE label aanwezig aan vinken.

Bij het totaal vermogen opwekker wordt het thermisch vermogen opgegeven. Dit thermisch vermogen hoef je alleen op te geven voor een gemeenschappelijk/collectieve WKK en als een individuele (micro-)WKK gecombineerd wordt met meerdere opwekkers.

Tabel 9.7 uit het opnameprotocol:
Als het thermische vermogen niet bekend is maar wel het elektrisch vermogen moet de volgende vuistregel worden toegepast: thermisch vermogen is 1,5 maal het elektrisch vermogen voor gasmotoren, 1,2 voor dieselmotoren en 2,5 voor microturbines, zie voorbeeld 8.

Heeft stekker

Het uitgangspunt voor de hulpenergie is dat lokale gaskachels en oliekachels geen aansluiting hebben op het elektriciteitsnetwerk (stekker). Als een lokale gas- of olie, of biomassakachel wel een stekker heeft, dan moet je “heeft stekker” aanvinken, dan wordt de hulpenergie voor deze opwekker berekend.

Aantal lokale toestellen

Voor de berekening van de hulpenergie (lokale kachels en elektrische verwarming) is het nodig om het aantal lokale toestellen in te vullen. Geef hier het totaal op van alle lokale toestellen (met stekker) binnen de aangesloten rekenzone(s).

Bij elektrische centrale verwarming, zoals bijvoorbeeld een elektrische cv-ketel of een (fictief) elektrisch bijstook verwarmingselement in een all-electric warmtepomp (bij een energiefractie kleiner dan 1), kun je 0 invullen omdat dit geen lokale toestellen zijn. De invoercontrole kun je dan negeren.

Open verbrandingstoestel

Voor open verbrandingstoestellen wordt in de NTA 8800 berekend hoeveel extra verse lucht hier voor nodig. Om de tijdgemiddelde verbrandingsluchttoevoercapaciteit te berekenen moet je aangeven of er een open verbrandingstoestel toestel is.

Als een open verbrandingstoestel als sfeerverwarming wordt gebruikt, dan wordt die niet meegenomen in de berekening en hoef je deze niet op te geven (zie opnameprotocol hieronder). Ook als

Kachels moeten als lokale verwarming (elektrisch of gas) worden opgegeven. Als de kachel als sfeerverwarming naast de centrale verwarming is bedoeld, dan mag de kachel niet opgenomen worden.

Als niet vastgesteld kan worden welk type verbrandingstoestel is toegepast, dan moet de volgende richtlijn worden gevolgd:

  • een VR- of HR-ketel wordt gerekend als een gesloten toestel;
  • een CR-ketel wordt gerekend als een open toestel en zet je het vinkje in de software aan;
  • grote installaties worden niet als een open toestel aangemerkt.

Nominale belasting

Om de tijdgemiddelde verbrandingsluchttoevoercapaciteit te berekenen moet je opgeven wat de nominale belasting is, opgegeven door de fabrikant, in kW.  Geef hier het totaal op van alle gaskachels binnen de aangesloten rekenzone(s). Indien de nominale belasting van het verbrandingstoestel niet kan worden vastgesteld, dan kun je 0 invoeren. De software rekent dan met de minimale nominale belasting uit tabel 11.12 op, zie afbeelding, even zo als de ingevulde nominale belasting lager is dan de minimale waarde.

  • Bij een individuele conventionele ketel kies je de rekenwaarde overeenkomstig
    ‘CV-ketels’, ‘Aardgas’ (30 kW).
  • Lokale gasverwarming voor ruimteverwarming: rekenwaarde overeenkomst
    ‘Kachel’, ‘Aardgas’ (10 kW).
  • Bij een geiser en badgeiser: rekenwaarde overeenkomstig
    ‘Badgeisers’, ‘Aardgas’ (35 kW).

Tabel 11.12 Rekenwaarde specifieke verbrandingsluchttoevoercapaciteit voor verbrandingstoestellen (NTA 8800:2020 +A1:2020)

Publicaties
NTA 8800
tabel 11.12 Rekenwaarde specifieke verbrandingsluchttoevoercapaciteit voor verbrandingstoestellen

Oliegestookte ketel tot versie 10.2
Een oliegestookte ketel kon je tot versie 10.1 nog niet invullen in EPA. Tot versie 10.1 kon je dit opgeven als een CR-ketel omdat het forfaitaire rendement in de NTA 8800 hetzelfde is. Als de woning geen gasaansluiting heeft, dan kon het monitorbestand door Vabi aangepast worden voor de juiste gegevens op het energielabel. Vanaf versie 10.1 (14 november 2023) kun een oliegestookte ketel invullen. Het is niet meer nodig en ook niet meer mogelijk om een monitorbestand (registratiebestand) aan te passen.

Aflevertemperatuur

Om bij warmtelevering derden de EP;ZEB (energieprestatie Zero Emission Building)  te kunnen berekenen, is de aflevertemperatuur nodig, zie afbeelding hierboven.

Uit het opnameprotocol paragraaf 9.3.1.7 Externe warmtelevering (warmtelevering derden) zie publicaties hieronder:

Bepalen

  • Bepaal in het geval van externe warmtelevering de aanvoertemperatuur.

Aandachtspunten

  • De aanvoertemperatuur van de externe warmtelevering is de temperatuur vóór de afleverset en lees je af van de beschikbare kwaliteitsverklaring. 
    • Als er geen kwaliteitsverklaring is, dan lees je de temperatuur af van het contract dat er is met de leverancier van de warmte.
    • Als er ook geen contract is, dan ga je uit van ‘onbekend’. Onbekend is 60 °C en hoger.
    • Als er sprake is van een stooklijngeregelde aanvoertemperatuur, neem je de hoogste waarde.
Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.3.1.7
Externe warmtelevering (warmtelevering derden) Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.3.1.7
Externe warmtelevering (warmtelevering derden) Woningbouw

Kwaliteitsverklaring

Kwaliteitsverklaring warmteopwekker

Afhankelijk van de opwekker worden de benodigde invoervelden getoond.

Energiefractie

Voor een warmtepomp wordt er vaak een energiefractie getoond op de verklaring. Deze moet je hier invullen. Als de energiefractie kleiner is dan 1 , dan kan de warmtepomp niet volledig voorzien in de warmtebehoefte en moet je een tweede opwekker opgeven. Is er geen tweede opwekker, dan geef je ‘Elektrische verwarming’ op, conform het opnameprotocol, zie publicaties hieronder. Bij het aantal lokale toestellen mag je 0 noteren en het totaal vermogen opwekker (nominaal) [kW] is 0,1.

Opmerking: Elektrische back-up elementen, die in veel elektrische warmtepompen voorkomen, worden niet gezien als tweede opwekker. Uitzondering hierop is als de op de kwaliteitsverklaring vermelde energiefractie van de warmtepomp (FH;gen;si:gpref) kleiner is dan 1,0. Dan moet door de adviseur een extra (fictieve, als deze er in werkelijkheid niet is) elektrische bijstook worden ingevoerd om in de warmtevraag te voorzien.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.3.1.3
Warmtepompen Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.3.1.3
Warmtepompen Woningbouw

Duurzaam BENG-3

Als op de verklaring een waarde voor BENG3 (hernieuwbare energie) is gegeven, dan kun je deze overnemen. Staat deze niet op de verklaring, dan vul je 0 in.

Als de verklaring de BENG 3 in kWh/dag geeft, dan moet je deze zelf omrekenen naar kWh/jaar.

Luchtdebiet van het toestel (benodigd)

Vul hier het luchtdebiet in, dat op de verklaring vermeld staat, vaak in de begeleidende tekst. Let daarbij op de juiste eenheid, meestal is dat dm3/s, maar soms moet je m3/h zelf omrekenen naar dm3/s.

Modulerende warmtepomp

Geef aan of het een modulerende warmtepomp is. Als er geen overventilatie is, dan heeft dit geen invloed op de berekening. Dit vinkje is alleen nodig om te bepalen of de groupbox met verwarmingsvermogen getoond moet worden, of dat deze niet nodig is.

Alleen als het geen modulerende warmtepomp is, EN is is sprake van overventilatie, dan moet voor alle buitentemperaturen van 16 tot en met -10°C het vermogen opgegeven worden. Deze kunnen overgenomen (geïnterpoleerd) worden van de kwaliteitsverklaring.

Minimaal vermogen [kW]

Vanaf versie 12.0 moet je het minimaal vermogen invullen als het om een modulerende warmtepomp gaat. Deze kun je overnemen van de kwaliteitsverklaring, zie afbeelding.

Projectconversie
Objecten die gemaakt zij in eerdere versies Vabi EPA en Assets Energie 12.0 dan zal het ingevulde nominale vermogen overgenomen worden naar het minimale vermogen, zodat bij voortgangsrapportages het object nog steeds doorgerekend kan worden en de resultaten gelijk blijven. Als het om nieuwe registraties vanaf versie 12.0 gaat, dan moet de EP-adviseur dit overgenomen vermogen aanpassen naar het minimale vermogen.

Primair en secundair warmtenet

Bij een kwaliteitsverklaring voor warmtelevering derden, ingevuld met invoermethode BCRG, kun je soms kiezen tussen een primair en secundair warmtenet. In het opnameprotocol staan geen richtlijnen voor de keuzen, en op de verklaring staat ook geen informatie om de juiste keuze te maken. Je kunt bericht van KEGO volgen bij de keuze voor primair of secundair warmtenet:

Er is (voornamelijk) sprake van primaire en secundaire netten bij stadsverwarming dat (van oorsprong) z’n warmte kreeg uit elektriciteitscentrales of afvalverbranding. Dan komt er warmte van meer dan 100°C uit de centrale, maar omdat je in woningen geen water van meer dan 100°C wil hebben, zijn er onderstations waar een warmtewisselaar de warmte overdraagt van het primaire net (>100°C) aan het secundaire net (max 90°C in de winter).

In veel kleinschaligere warmtenetten en veel warmtenetten op lage temperatuur bestaat geen onderscheid tussen een primair en secundair net. Dan is het gehele warmtenet het primaire net.

Primaire warmtenetten leveren over het algemeen dus warmte op een temperatuur > 100°C, meestal t.b.v. industriële activiteiten (en mogelijk grote utiliteit). Voor gebouwverwarming moet je in principe uitgaan van aansluiting op het secundaire warmtenet, tenzij het gebouw aantoonbaar is aangesloten op het primaire net. Neem bij twijfel contact op met de warmteleverancier.

25-07-2026

Als er op de verklaring geen onderscheid is tussen een primair en secundair warmtenet, dan worden de gegevens in de BCRG koppeling altijd gevuld bij het primair warmtenet. Je moet in dat geval altijd voor primair warmtenet kiezen , ook als je weet dat de woning op secundair warmtenet aangesloten is. De koppeling bevat geen gegevens van een secundair warmtenet en kun je daarom niet kiezen. Als de gegevens die de koppeling doorgeeft overeenkomen met de gegevens op de pdf, dan is primair of secundair warmtenet verder niet van belang, dit wordt alleen gebruikt om de juiste waardes op te halen.

Kwaliteitsverklaring hulpenergie

Afhankelijk van de opwekker en van de gegevens op de kwaliteitsverklaring zijn er twee types verklaringen mogelijke: waar de jaarlijkse hulpenergie in kWh gegeven wordt als Waux, en verklaringen waar de constantes A, B, C en B nominaal gegeven worden.

Individuele installatie
Bij een individuele installatie kies je overeenkomst de verklaring voor Waux en Constante A, B, C.
Als er geen kwaliteitsverklaring aanwezig is voor de hulpenergie, dan kies je voor fabricagejaar, dan wordt er forfaitair gerekend.

Collectieve/gemeenschappelijke installatie
Bij een collectieve installatie kun je alleen een verklaring Waux gebruiken (meestal warmtepompen).
Als er geen kwaliteitsverklaring aanwezig is voor de hulpenergie, dan kies je voor NTA8800, dan wordt de hulpenergie volgens forfaitaire rekenregels in de NTA 8800 berekend.
Als je een verklaring hebt waar alleen Constante A, B, C (meestal cv-ketel) op staat, dan kun je die verklaring niet gebruiken als het toestel gemeenschappelijk gebruikt wordt: je kiest dan voor NTA 8800 voor forfaitaire berekening.

Kwaliteitsverklaring standby

Standby elektriciteitsgebruik

Het is mogelijk, bijvoorbeeld bij lokale elektrische radiatoren, dat er een verklaring beschikbaar is voor het standby gebruik. Hier kun je het standby elektriciteitsgebruik [W] opgeven.

Soms staat het standby verbruik apart vermeld op de verklaring voor hulpenergie. Deze is dan reeds meegenomen in de berekening van de Waux (zie hulpenergie) en hoef je niet apart ook nog eens op te geven bij standby gebruik.

Distributie

Distributiemedium

In het opnameprotocol (7e druk) staat:

De distributie van warmte voor ruimteverwarming vindt plaats via water van de (centraal opgestelde) opwekker naar de afgiftesystemen.

Bepalen
Bepaal of er sprake is van distributie van warmte met water.

Aandachtspunten

  • Distributiesystemen (pompen, distributieleidingen en warmtemeters) die ook voor de distributie van warmtapwater worden gebruikt, neem je maar één keer op. Daarbij geef je wel aan voor welke functies het distributiesysteem wordt gebruikt;
  • Bij lokale systemen staat de combinatie van opwekker en afgiftesysteem in de te verwarmen ruimte. De leidinglengte voor distributieleidingen is dan gelijkgesteld aan 0 m.
Vabi EPA versie 10.x en ouder

In een eerdere versie van het opnameprotocol werd de volgende opmerking gegeven:

Opmerkingen:

  1. Distributiesystemen (pompen, distributieleidingen en warmtemeters) die ook voor de distributie van warmtapwater of koelwater worden gebruikt, moeten maar één keer worden ingevoerd. Hierbij moet wel worden aangegeven voor welke functies het distributiesysteem wordt gebruikt;

Als tapwater is aangesloten op het collectief verwarmingssysteem, dan is het, in tegenstelling op opmerking 1 van het protocol, wel nodig om de specificaties ook bij tapwater in te vullen. De NTA 8800 (tot en met versie 2023) berekening zorgt er voor dat de verliezen niet dubbel meegeteld worden, zie de toelichting voor de invoer van tapwater – distributie. Vanaf NTA 8800 : 2024 (Vabi EPA versie 11.x) is de berekening aangepast voor een distributiesysteem dat zowel voor verwarming als voor tapwater gebruikt wordt. Dit kan van grote invloed zijn op de resultaten, met name als de leidingen door verwarmde ruimten niet geïsoleerd is, of isolatie onbekend is. Lees hier meer over deze wijziging.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.4.1
Distributiemedium Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.4.1
Distributiemedium Woningbouw

Wateraanvoertemperatuur (Ontwerptemperatuurklasse)

Uit het opnameprotocol, zie publicaties hieronder:

 Bij distributie via water moet je het ontwerptemperatuurniveau van het warme water opgeven.

Bepalen

  • Bepaal per opwekker de ontwerptemperatuurklasse volgens tabel 9.9.
  • In het geval van een collectieve installatie die ook voorziet in de warmte voor de warmtapwaterinstallatie met afleversets of boosterwarmtepompen, moet je ook het type regeling van de aanvoertemperatuur bepalen:
    • een stooklijngeregelde aanvoertemperatuur, of
    • een constante aanvoertemperatuur.

Aandachtspunten

  • Als op de opwekker ook afgiftesystemen zijn aangesloten uit andere rekenzones en in de rekenzones zijn verschillende afgiftesystemen aanwezig, dan geldt de ontwerptemperatuurklasse met de hoogste temperaturen.
  • De ontwerptemperatuurklasse leid je af uit het installatieontwerp. Het zijn nadrukkelijk geen gemeten waarden.
  • Er is alleen sprake van een constante aanvoertemperatuur als je aantoont dat het verwarmingssysteem jaarrond op een constante aanvoertemperatuur functioneert. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit de aanwezigheid van een afleverset of uit een regeltechnische omschrijving van de installatie (RTO). Indien een constante aanvoertemperatuur niet aantoonbaar, of dit onbekend is, ga je uit van een stooklijngeregelde aanvoertemperatuur.
Als er een warmtepomp bij een van de opwekkers is opgegeven, het maakt daarbij niet uit of die preferent of niet-preferent is, dan kan er alleen een hogere temperatuur dan 55/47 gekozen worden als er een kwaliteitsverklaring aanwezig is.
Publicaties

Regeling van de aanvoertemperatuur

Type distributie

Uit het opnameprotocol, zie publicaties

Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie type watergevoerde distributiesystemen:

  • Eenpijpssysteem;
  • Tweepijpssysteem, inclusief een Tichelmansysteem;
  • Gerenoveerd eenpijpssysteem.

Verder is bij eenpijpssystemen het aantal afgiftesystemen van belang.

Herkennen

In Nederland komen overwegend 2-pijpssystemen voor. Er is sprake van een gerenoveerd eenpijpssysteem als het debiet dynamisch is ingeregeld afhankelijk van de belasting en de distributieleidingen zijn geïsoleerd. In de leidingen moeten dan appendages aanwezig zijn die zorgdragen voor dynamische inregelen. In Nederland komt dit nagenoeg niet voor.

Indien niet bekend hoeveel afgiftesystemen op het distributiesysteem zijn aangesloten wordt er één afgiftesysteem per ruimte in de rekenzone aangehouden.

Voorbeeld

Er zijn 5 radiatoren en 1 vloerverwarmingssysteem op het betreffende distributiesysteem aangesloten, totaal zijn er dan 6 afgiftesystemen aangesloten.

Afbeelding

Afb. 9.9 Twee-pijpssysteem

Afbeelding

Afb. 9.10 Tichelman systeem (2-pijpssysteem, aanvoerleiding en retourleiding van en naar alle radiatoren even lang)

Afbeelding

Afb. 9.11 Eenpijpssysteem (retourwater radiator stroomt naar aanvoer volgende radiator)

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.4.2
Type distributiesysteem Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.4.2
Type distributiesysteem Woningbouw

Waterzijdig ingeregeld

Conform de NTA 8800 heeft het waterzijdig inregelen alleen invloed op de rekenresultaten als:

  • Type distributie = Tweepijpssysteem
  • & Afgiftesysteem = Radiatoren / convectoren
  • (& Hoogte afgiftesysteem <= 4 meter, bij oudere berekeningen met Vabi EPA versie 10 en ouder)

In andere gevallen kan je hem wel invullen, maar heeft het geen invloed. Normaliter zijn deze velden niet zichtbaar. In dit geval is hij toch zichtbaar omdat pas bij het afgiftesysteem kan worden bepaald of het relevant is.

Waarom geen verschil bij individuele cv-ketel?

In NTA 8800 wordt waterzijdig inregelen meegenomen in de berekening van de hulpenergie voor de distributiepomp (paragraaf 9.4.4, tabel 9.19). De correctiefactor bedraagt:

  • 1,00 wanneer het systeem waterzijdig is ingeregeld;
  • 1,15 wanneer dat niet (of onbekend) is.

Inregelen verlaagt dus de berekende pompenergie met circa 15%. Maar er speelt een compenserend effect: lagere hulpenergie betekent ook minder terugwinbare warmte uit de pomp. Daardoor moet de cv-ketel iets meer leveren om hetzelfde comfortniveau te bereiken. Deze twee effecten heffen elkaar grotendeels op. Omdat EP2 kijkt naar primaire energie (waarbij elektriciteit en gas verschillende wegingsfactoren hebben), is het netto-effect op de EP2-score minimaal tot nihil.

Bij een individuele cv-ketel wordt de geïntegreerde pomp (zowel forfaitair berekend als met kwaliteitsverklaring) als hulpenergie van de warmteopwekker berekend en niet bij de hulpenergie van het distributiesysteem. Als er geen extra pomp aanwezig is, dan heeft waterzijdig inregelen geen effect op de EP2. Datzelfde is bij warmtelevering derden (met individuele levering) waarbij er geen pomp op perceel ingevuld is.

Opnameprotocol
Uit het opnameprotocol, zie publicaties:

Bij warmtedistributie via water moet je opgeven of het distributiesysteem waterzijdig is ingeregeld. Bij lokale systemen is dit niet van toepassing. 

Bij waterzijdige inregeling wordt de hoeveelheid water door het systeem zo ingesteld, dat overal de juiste hoeveelheid water naartoe gestuurd wordt. Dat kan met vast instelbare inregelafsluiters. Het systeem is dan ‘statisch gebalanceerd’. Als er dynamische inregelafsluiters zijn toegepast, dan is er sprake van ‘dynamische balancering’. Zie tabel 9.10.

Bepalen
Bepaal per verwarmingsinstallatie of er waterzijdig is ingeregeld en zo ja hoe.

Aandachtspunten

  • Een verwarmingsinstallatie is waterzijdig ingeregeld als ten minste 90% van de installatie waterzijdig is ingeregeld.
  • Als er meerdere methoden voor inregeling binnen één installatie zijn toegepast, dan moet je uitgaan van de meest voorkomende voor de hele verwarmingsinstallatie.
  • Er is sprake van waterzijdig ingeregeld als er een verklaring is die maximaal 4 jaar oud is. Aan deze voorwaarde hoeft niet te worden voldaan als de verklaring van inregeling eerder in een geregistreerde energieprestatieberekening is gebruikt en er geen  installatietechnische wijzigingen in de installatie voor ruimteverwarming zijn aangebracht en de volgende informatie bevat:
    • De datum van afgifte of uitvoering;
    • Uitvoerende partij (bedrijfsnaam, -logo en vestigingsadres). Deze organisatie is niet (onderdeel van de organisatie) van de opdrachtgever;
    • Adres waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd;
    • Welke installaties zijn ingeregeld:
      • Verwarming, koeling of tapwater;
      • Distributie of afgifte;
      • Gehele gebouw of delen van het gebouw.
  • In bestaande gebouwen is er nauwelijks ingeregeld. In de opname wordt er dan dus gekozen voor ‘Onbekend (niet ingeregeld)’.

 

Publicaties
Waterzijdig inregelen Utiliteit
ISSO 75.1 paragraaf 9.4.3
Waterzijdig inregelen Woningbouw
ISSO 82.1 paragraaf 9.4.3
Waterzijdig inregelen
Praktijkboek energieprestatie paragraaf 9.4.3

Hoofdpomp (voorheen Hoofdcirculatiepomp) en Aanvullende pomp

Een hoofdpomp hoeft niet voor alle individuele opwekkers ingevuld te worden, dat is afhankelijke van het type (individuele) opwekker, deze wordt dan al meegenomen bij de hulpenergie van de opwekker in de NTA 8800 rekenregels. Voor gemeenschappelijke opwekkers wordt de pompenergie voor distributie altijd apart berekend.

Je kunt altijd aanvinken dat er aanvullende pompen aanwezig zijn, om het vermogen en de energie-efficiëntie-index (EEI) van de extra pomp op te geven.

Als het werkelijk vermogen van de pomp(en) bekend is, kies je voor werkelijk vermogen. Als er geen gegevens te achterhalen zijn, kies je onbekend. Het energiegebruik zal naar rato van gebruiksoppervlak verdeeld worden over de rekenzones en/of objecten.

Als de energie-efficiëntie-index van de pomp bekend is, kies je voor EEI (bekend). Als er geen gegevens te achterhalen zijn, kies je EEI onbekend.

De berekening van hulpenergie kan in de NTA 8800 niet gecombineerd worden, daarom kun bij extra pompen geen afwijkende invoer kiezen dan bij de hoofdpomp. Als van een of meerdere pompen het werkelijk vermogen en/of de EEI niet bekend is, maak dan bij hoofdpomp een andere keuze voor invoer onbekend.

Uit het opnameprotocol:

 Pompen in installaties laten het warme water circuleren. Het vermogen en/of de energieefficiëntie-index (EEI) van de pomp moet je opgeven. 

Bepalen
Bepaal voor alle pompen in het distributiesysteem:

  • Het werkelijke vermogen van de pomp;
  • De Energie-efficiëntie-index van de pomp.

Aandachtspunten

  • Alle pompen in het distributiesysteem die niet integraal met de opwekker zijn opgenomen, moet je alsnog meenemen in de opname.
  • Vermogen pomp: je moet het werkelijk opgenomen vermogen van de pomp(en) opgeven of je geeft aan dat je uitgaat van het forfaitaire vermogen.
  • Energie-efficiëntie-index (EEI) van de pomp: Als deze bekend is dan moet je deze opgeven. De EEI op het energielabel van de pomp moet dan zijn bepaald volgens EU-regeling Nr. 622 [6].
  • Als het distributiesysteem van meerdere pompen met een bekende EEI is voorzien en er is maar één invoermogelijkheid, moet je de EEI bepalen via het gewogen rekenkundig gemiddelde van EEI op basis van het maximale vermogen van deze pompen.

Totaal vermogen [W]

Geef het werkelijk vermogen van de hoofdpomp en eventuele extra pomp(en) op.

Energie-efficiëntie-index (aanvullende) pomp

Als de energie-efficiëntie-index (EEI) van de pomp bekend is, dan moet deze worden opgegeven. De EEI op het energielabel van de pomp moet dan zijn bepaald volgens EU-regeling Nr. 622. Indien het distributiesysteem van meerdere pompen met een bekende EEI is voorzien en er is maar één invoermogelijkheid, moet de EEI worden bepaald middels het gewogen rekenkundig gemiddelde van EEI op basis van het maximale vermogen van deze pompen.

Publicaties

Leidinglengte distributieleidingen en maximale leidinglengte

  • Detail

Vanaf de 7e druk (registraties vanaf 29 mei 2026 met Vabi EPA versie 12.x) mag je voor woningbouw de leidingen door onverwarmde ruimte wel de werkelijke leidinglengte en maximale lengte invullen, zie tabel 9.14 van ISSO 82.1 7e druk en voor Utiliteit voor zowel de leidingen door verwarmde ruimten als door onverwarmde ruimten, zie tabel 9.14 van ISSO 75.1 7e druk.

Woningbouw

Utiliteit


Als de werkelijke lengte bekend is, dan vul je bij Leidinglengte distributieleidingen de leidinglengte van het distributiesysteem in, dus niet alleen de lengte door verwarmde ruimte, maar de totale leidinglengte. Het adviesplatform van Stichting KEGO vult daar op aan:

De totale leidinglengte, d.w.z. heen en terug, moet worden opgegeven. De leidinglengte wordt per verwarmingsinstallatie opgegeven en niet per rekenzone. De slangen van de de vloerverwarming horen bij het afgiftesysteem en niet bij het distributiesysteem.

De Maximale leidinglengte is de afstand tussen de opwekker en het verst gelegen afgiftesysteem (voor oppervlakteverwarming wordt de verst gelegen verdeler aangehouden).

Als deze niet bekend is en je kies voor Onbekend, dan worden deze forfaitair berekend aan de hand van het gebruiksoppervlak.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.4.5
Omgeving distributieleidingen Utiliteit

Leidingen geïsoleerd (binnen de rekenzone)

Geef hier de gegevens op van de distributieleidingen binnen de aangesloten rekenzone(s). Dit zijn verwarmde ruimten, maar kunnen ook onverwarmde ruimten zijn. Voor een basisopname kun je alleen opgeven Ja, Nee, Onbekend (rekenwaarde = Nee). Voor detailopname kun je zowel voor geïsoleerde als niet-geïsoleerde distributieleidingen kiezen of detailinvoer bekend is of niet, of dat onbekend is of de distributieleidingen geïsoleerd zijn.

Uit het opnameprotocol, zie publicaties:

Er is sprake van geïsoleerde leidingen als meer dan 90% van de leidinglengte van isolatiemateriaal is voorzien. Aan het 90%-criterium wordt voldaan als leidingen zijn geïsoleerd en de appendages en beugels niet zijn geïsoleerd. Dit wordt per verwarmingssysteem bepaald.

Als er binnen een distributiesysteem voor ruimteverwarming, zowel leidingen omringd zijn door lucht, als ingebed in een constructie dan wordt bepaald welke situatie het meest voorkomt, deze situatie wordt dan opgegeven.

Als er binnen een distributiesysteem voor ruimteverwarming leidingen met variërende diameter en/of isolatiedikte voorkomen, dan wordt bepaald welke situatie het meest voorkomt. Deze situatie wordt dan opgegeven.

Herkennen

Isolatie rondom verwarmingsleidingen is meestal te herkennen aan een buisvorming schuimachtig materiaal of minerale wol dat de (metalen) verwarmingsleiding bekleed.
Bij leidingen die zijn ingestort in de vloer of de wand (ingebed) kan veelal uitgegaan worden van niet geïsoleerde leidingen.

Voor situaties waarbij minder dan 90% van de totale leidinglengte geïsoleerd is, wordt de hele leidinglengte beschouwd als niet geïsoleerd.
Ingebedde geïsoleerde circulatieleidingen komen in de praktijk weinig voor.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.4.5
Distributieleidingen Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.4.5
Distributieleidingen Woningbouw

Ja/Nee, detailinvoer bekend

  • Detail

Uit het opnameprotocol, zie publicaties hierboven:

[DETAIL] Herkennen

Van de gebruikte isolatiematerialen moet de warmtegeleidingscoëfficiënt λP bepaald worden. De warmtegeleidingscoëfficiënten van veel gebruikte isolatiematerialen staan in bijlage K. De warmtegeleidingscoëfficiënt wordt gegeven in W/m·K. De warmtegeleidingscoëfficiënten van veel gebruikte constructiematerialen staan in bijlage E van de NTA 8800. De warmtegeleidingscoëfficiënt wordt gegeven in W/m·K.

Als de mate van isolatie van de leidingen wordt bepaald bij een detailopname, zijn er drie situaties te onderscheiden:

  • Vrij liggende, geïsoleerde leidingen;
  • Geïsoleerde leidingen ingebed in vloer, wand of plafond;
  • Ongeïsoleerde leidingen.
Afbeelding

Afb. 9.12 Schematische voorstelling van een leiding ingebed in een constructie

DETAIL Bepalen
  • Bepaal per distributiesysteem of deze geïsoleerde of ongeïsoleerde leidingen heeft;
  • [DETAIL] Bepaal per distributiesysteem of de leidingen ingebed zijn of vrijliggend;
  • [DETAIL] Bepaal van vrij liggende geïsoleerde leidingen:
    • Bepaal de buitendiameter van de leiding zonder isolatie (db);
    • Bepaal de buitendiameter van de leiding inclusief isolatie) (dd);
    • Bepaal de warmtegeleidingscoëfficiënt van het toegepaste isolatiemateriaal (λi).
  • [DETAIL] Bepaal van geïsoleerde leidingen ingebed in vloer, wand of plafond:
    • Bepaal de buitendiameter van de leiding zonder isolatie (db);
    • Bepaal de buitendiameter van de leiding inclusief isolatie) (dd);
    • Bepaal de warmtegeleidingscoëfficiënt van het toegepaste isolatiemateriaal (λi);
    • Bepaal de diepte van de leiding van het distributiesysteem in de vloer, wand of plafond gemeten vanaf de oppervlakte van de betreffende constructie aan de binnenzijde van de rekenzone;
    • Bepaal de warmtegeleidingscoëfficiënt van het materiaal, waarin de leiding is ingebed.
  • [DETAIL] Bepaal van ongeïsoleerde leidingen:
    • Bepaal de binnendiameter van de leiding (binnenzijde van de leiding; is de buitendiameter minus de 2 maal wanddikte van de leiding (d0);
    • Bepaal de buitendiameter van de leiding (db);
    • Bepaal de warmtegeleidingscoëfficiënt van het toegepaste leidingmateriaal (λb).

Afbeelding

Afb. 9.13 Isolatiekenmerken leiding

Voor situaties waarbij de leidingdiameters in het systeem variëren, de specificaties (warmtedoorgangscoëfficiënt of dikte) van de isolatie anders zijn of leidingdelen niet geïsoleerd zijn of leidingdelen zijn ingebed en andere vrijliggend zijn, moet de meest voorkomende situatie worden opgenomen. Dit is dan de situatie die van toepassing is op de grootste lengte van de leiding.

Voor het handmatig berekenen van de lineaire thermische transmissie (warmteverliezen) wordt verwezen naar formules 9.33 t/m 9.35 van de NTA 8800.

Publicaties
NTA 8800 +A1:2020 formules 9.33 t/m 9.35
9.4.2.2 Berekening van de lineaire thermische transmissie Ψ zi/j van distributieleidingen (NEN-EN 15316-3:2017, 6.4.3)
NTA 8800 +A1:2020 bijlage E
Bepaling van de rekenwaarde van de warmtegeleidingscoëfficiënt respectievelijk warmteweerstand van bouwmaterialen

Isolatiejaar

Bepaal in het geval van geïsoleerde leidingen, wat het jaar van installatie is. Bij een onbekend jaar van installatie moet het bouwjaar gehanteerd worden.

Leidingen aanwezig in een niet-geïsoleerde buitenwand en/of vloer

  • Basis
  • Detail

Indien er niet geïsoleerde leidingen zijn, vink dan aan als deze niet geïsoleerde leidingen lopen in niet geïsoleerde buitenmuren of in een niet geïsoleerde vloer (die onderdeel is van de thermische zone). Als er wel niet geïsoleerde leidingen zijn en deze lopen door geïsoleerde buitenmuur of geïsoleerde vloer dan is het antwoord op deze vraag ‘Nee’. Buitenmuren en vloeren van gebouwen gebouwd na 1982 worden als geïsoleerd beschouwd.

Appendages en beugels geïsoleerd

Er is sprake van geïsoleerde appendages en beugels als alle appendages en beugels in de rekenzone aantoonbaar (visueel) zijn geïsoleerd. Indien onbekend omdat niet alle appendages en beugels zijn te inspecteren wordt ongeïsoleerd aangehouden. Het gaat om alle bevestigingsbeugels, kleppen of andere appendages van het totale distributiesysteem aangesloten op de verwarmingsinstallatie.

Leidingen door onverwarmde ruimte

Als de leidingen uitsluitend door de rekenzone lopen, dan vink je deze niet aan. Het gaat hier om distributieleidingen door aangrenzende onverwarmde ruimten, dat zijn in ieder geval leidingen die door aangrenzende onverwarmde ruimten (AOR), door aangrenzende onverwarmde serre (AOS), door een kruipruimte, via buiten of door water lopen.

Vraag: “Als er leidingen onder de vloer doorlopen door de grond, waar valt dit dan onder?” 

De ISSO en de NTA 8800 hebben het bij leidingen door onverwarmde ruimtes niet over leidingen door de grond. Deze vraag is daardoor gesteld aan KEGO ter verduidelijking. Hierop antwoord KEGO het volgende: “Het is niet waarschijnlijk dat de leidingen door de grond lopen. Je kunt er vanuit gaan dat de leidingen door de vloer of kruipruimte lopen en je houdt dus onverwarmde ruimte aan. Als je weet dat de leidingen boven de isolatie van de vloer lopen is dat niet het geval.”

Leidingen lengte

  • Detail

Opnameprotocol 6e druk (Vabi EPA 11.x): de werkelijke leidinglengte en maximale lengte zijn alleen in te vullen voor een detailopname.

Geef de werkelijke lengte van distributieleidingen door aangrenzende onverwarmde ruimte op als deze bekend is. Alleen als de leidinglengte door onverwarmde ruimte niet bekend is, kun je voor onbekend kiezen, de software rekent dan met 15% van de forfaitaire berekening van de totale leidinglengte van het systeem of 15% van de ingevoerde werkelijke leidinglengte (utiliteit).

Het kan zijn dat de maximale lengte niet van invloed is op de EP2. De maximale leidinglengte wordt onder andere gebruikt om het pompvermogen te berekenen. Als het pompvermogen ingevuld is, is de maximale leidinglengte niet altijd van invloed op de berekende EP2.
Vabi EPA versie 12.0
Vanaf de 7e druk is dit voor een onverwarmde ruimte ook mogelijk voor een basisopname, ISSO 82.1 en 75.1 7e druk, tabel 9.14

Woningbouw

Utiliteit

Leidingen geïsoleerd (door aangrenzende onverwarmde ruimten)

Geef hier de gegevens op van de distributieleidingen buiten de rekenzone(s) door aangrenzende onverwarmde ruimten. De gegevens die je op moet geven zijn dezelfde als voor distributieleidingen binnen de aangesloten rekenzone(s), zie voorgaande paragrafen.

Aantal bouwlagen waardoor leidingen lopen

Vul hier het aantal bouwlagen in, dat is aangesloten op de (gemeenschappelijke) verwarmingsinstallatie van het gebouw als geheel, met een minimale waarde van 1. Opnameprotocol paragraaf 9.4.5.2:

Bepalen
Bepaal de leidinglengtes van een individuele installatie forfaitair op basis van de gebruiksoppervlakte en het aantal bouwlagen dat is aangesloten op het distributiesysteem.

Voor collectieve installaties bepaal je de leidinglengten van het distributiesysteem ook forfaitair, op basis van de totale gebruiksoppervlakte aangesloten op de installatie en het aantal bouwlagen dat wordt bediend.

Vervallen vanaf versie 9.0
Voorbeeld is een woongebouw: 10 verdiepingen, per woning 2 verdiepingen.

Bij individuele installaties geef je dan bij ‘Aantal bouwlagen waardoor leidingen lopen’ 2 bouwlagen op.
Reken je het woongebouw (omgevingsvergunning) door met een gemeenschappelijke installatie dan geef je 10 bouwlagen op (waarbij het woongebouw uit 1 rekenzone bestaat).
Reken je 1 appartement door (oplevering nieuwbouw en bestaande bouw) dan geef je bij bouwlagen waardoor leidingen lopen 2 op (rekenzone) en voor een gemeenschappelijke installatie bouwlagen collectief ook 10 bouwlagen op.

Invloed op resultaten: Het aantal bouwlagen wordt gebruikt bij het bepalen van de maximale lengte van het distributiesysteem. De maximale lengte van het distributiesysteem wordt gebruikt bij het bepalen van de hulpenergie en eventueel de terugwinbare energie van het distributiesysteem.

Bij het bepalen van de hulpenergie van individuele warmtepompen, individuele gasgestookte ketels en individuele microWKK wordt een andere methode gebruikt waarvoor de maximale lengte van het distributiesysteem niet wordt gebruikt. In dit geval heeft het aantal bouwlagen geen invloed op de resultaten. Tenzij een additionele pomp wordt ingevoerd.

 

Aantal warmtemeters (op de distributieleidingen)

Vul hier het aantal warmtemeters in van het gemeenschappelijk/collectieve systeem. Ook als een woning in een appartementencomplex wordt doorgerekend, moet hier het aantal warmtemeters van het hele woongebouw (indien dit gelijk is aan het aantal warmtemeters van het gemeenschappelijke/collectieve systeem) ingevuld worden. Dit wijkt af van hoe dit in het opnameprotocol beschreven is, maar de software verdeeld de berekende hulpenergie naar ratio van het gebruiksoppervlakte van de rekenzone en Ag aangesloten op installatie [m2]. Let op, dit gaat over warmtemeters op de distributieleiding en niet over warmteafgiftemeters aan radiatoren in de ruimten. Ook warmtemeter en/of afleverset, die het overdrachtspunt vormen tussen het collectieve distributienet en de binneninstallatie, hoef je hier niet in te vullen. Uit de NTA 8800:

Warmtelevering derden gemeenschappelijk tot versie 8.8.1

Uitzondering is ‘Warmtelevering derden gemeenschappelijk‘. Vul het aantal warmtemeters in dat past bij het object dat doorgerekend wordt. Bij een woning in een appartementencomplex is dit meestal maximaal 1, of geen. Bij een Appartementencomplex is dit het totale aantal warmtemeters op distributieleidingen van de gehele verwarmingsinstallatie. Vanaf versie 8.9.0 kun je dit altijd voor de gehele installatie opgeven en wordt het het verlies vanuit de software oppervlakte gewogen over de rekenzones verdeeld. Tot versie 8.8.1 is die correctie er nog niet en moet je het daarom zelf voor het object opgeven.

Buffervat

Buffervaten

  • Detail

Buffervaten voor verwarming worden hoef je voor een basisopname niet apart in te vullen, dit is meegenomen in de forfaitaire berekening van de leidingverliezen.

Voor een detailopname, als je de leidinggegevens gedetailleerd bepaalt, moet je het buffervat wel invullen, zie opnameprotocol paragraaf 9.4.5.3 (publicaties hieronder):

De verliezen van buffervaten of opslagtanks in de collectieve gebouwinstallatie zijn verdisconteerd in de forfaitaire waarde van de leidingverliezen. Indien je de leidinggegevens gedetailleerd bepaalt, moet je ook de buffervaten in collectieve installaties opgeven.

[DETAIL] Bepaal per buffervat (zie ook 13.3.2.1 Voorraadvaten tapwater):

  • Het aantal vaten;
  • Het opslagvolume per vat;
  • Het fabricagejaar:
    • Voor vaten t/m 500 liter en fabricagejaar vanaf 2016 het energielabel.
Publicaties
Buffervaten Utiliteit
ISSO 75.1 paragraaf 9.4.5.3
Buffervaten Woningbouw
ISSO 82.1 paragraaf 9.4.5.3

Afgiftesysteem

Een rekenzone kan in de energieprestatieberekening maar 1 afgiftesysteem hebben. Uit het opnameprotocol:

Woningbouw

Indien er meerdere afgiftesystemen in het verwarmingssysteem aanwezig zijn, moet je het type warmteafgifte van het hoofdvertrek aanhouden. Indien er een woonkamer aanwezig is in de rekenzone, dan is de woonkamer het hoofdvertrek. Indien er geen  woonkamer aanwezig is in de rekenzone, dan is de verblijfsruimte met de grootste gebruiksoppervlakte in de rekenzone het hoofdvertrek.

Aandachtspunten
Als er in het hoofdvertrek ook meerdere afgiftesystemen in het hoofdverwarmingssysteem aanwezig zijn, moet je de volgende prioritering aanhouden: oppervlakteverwarming (vloerverwarming en/of wandverwarming), radiatoren/convectoren, elektrische verwarming, luchtverwarming, lokale kachel. Dus als er in het hoofdvertrek bijvoorbeeld radiatoren en vloerverwarming aanwezig zijn, dan houd je vloerverwarming aan.

Utiliteit

 Als er meerdere afgiftesystemen in het verwarmingssysteem aanwezig zijn, moet je het type warmteafgifte aanhouden dat het grootste deel van de rekenzone verwarmt.

Aandachtspunten
Als er meerdere afgiftesystemen aanwezig zijn die het grootste deel van de rekenzone verwarmen, moet je de volgende prioritering aanhouden: oppervlakteverwarming (vloerverwarming en/of wandverwarming), radiatoren/convectoren, luchtverwarming.

Soms wordt het verwarmingssysteem in meerdere rekenzones gebruikt. Het afgiftesysteem is geen onderdeel van het indelen in klimatiseringszones. Alleen als een object meerdere klimatiserings- of rekenzones heeft, na het volgen van hoofdstuk 6 van het opnameprotocol, kun je per rekenzone het afgiftesysteem bepalen. Dit afgiftesysteem moet aangesloten zijn op hetzelfde distributiesysteem en dezelfde opwekker(s), zie afbeelding hieronder.

Bijvoorbeeld een hybride warmtepomp met cv-ketel waar zowel vloerverwarming als  radiatoren op aangesloten zijn, kun je het afgiftesysteem apart opgeven als deze in aparte rekenzones ingedeeld zijn. Zie bericht van KEGO.

Een ander voorbeeld: de cv-ketel verwarmd de hele woning, de woning is opgedeeld in twee rekenzones omdat bepaalde ruimte van koeling voorzien zijn. Deze airco’s kunnen niet alleen koelen, maar ook verwarmen. In dat geval zijn er niet meerdere afgiftesystemen die aangesloten zijn op hetzelfde distributiesysteem, maar de betreffende rekenzone heeft twee verwarmingssystemen. Je kunt binnen een rekenzone maar 1 verwarmingssysteem invullen, zie KEGO situatie A voor dit voorbeeld.

Als een object een verwarmingssysteem heeft dat in meerdere rekenzones gebruikt wordt, dan geef je dit aan bij installaties. Je kunt er dan voor kiezen om de tweede rekenzone een ander afgiftesysteem te geven dan de eerste rekenzone. Dit doe je door “Verwarming heeft eigen afgiftesysteem” aan te vinken. Als je dan naar verwarming gaat, dan zijn de velden voor opwekker en distributie geblokkeerd, de velden van het afgiftesysteem kun je invullen.

Belangrijk bij het bepalen van de ontwerptemperatuurklasse. Deze is in alle rekenzones gelijk en moet worden gebaseerd op het afgiftesysteem met de hoogste temperatuur aangesloten op de verwarmingsinstallatie. Zie daarvoor de tekst in het opnameprotocol paragraaf 9.3.4.

Publicaties

Radiatoren bij ruimtes hoger dan 4 meter (vervallen vanaf versie 11.0)


Vervallen vanaf versie 11.0
Voor de NTA 8800 : 2024 (EPA versie 10.x of ouder) konden radiatoren in een ruimte van meer dan 4 meter kan niet ingevuld worden in de software. Dit komt doordat het een omissie in de NTA is. Het oude Energieprestatie-adviesplatform adviseerde hierover het volgende: Vooralsnog kan je deze radiatoren invullen als radiatoren bij een ruimte kleiner dan 4 meter. Wanneer er sprake is van ventilatorconvectoren kan je dit invullen als luchtverwarming in ruimte hoger dan 4 meter. Als dit watergevoede systemen zijn, kan je dit invullen als donkerstralers in ruimte hoger dan 4 meter.

Type afgifte (oppervlakteverwarming) vervallen vanaf versie 11.0

  • Detail

Vervallen vanaf versie 11.0
Als de woonkamer / grootste ruimte van de rekenzone een maximale hoogte heeft van 4 meter, dan moet je bij vloer- en plafondverwarming het type afgifte opgeven: deklaag < 2 cm of ≥ 2 cm. Als de deklaag ≥ 2 cm, dan moet op je kiezen tussen een droog- en natbouwsysteem. Bij een natbouwsysteem liggen de verwarmingsbuizen op de vloerisolatie, bij een droogbouwsysteem zijn ze erin verwerkt. Kies je voor onbekend, dan wordt dit berekend als een deklaag ≥ 2 cm met natbouwsysteem.

tabel 9.15 Gegevens oppervlakteverwarming uit opnameprotocol

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.5.2.2 (5e druk)
Oppervlakteverwarming utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.5.2.2 (5e druk)
Oppervlakteverwarming woningen

Isolatie eisen (oppervlakteverwarming) vervallen vanaf versie 11.0

  • Detail

Vervallen vanaf versie 11.0
Als de woonkamer / grootste ruimte van de rekenzone een maximale hoogte heeft van 4 meter, dan moet je bij vloer- en plafondverwarming ook aangeven aan welke isolatie eisen deze voldoet: eis A of B, of voldoet niet aan de eisen. Dit wordt beschreven in tabel 9.17 uit het ISSO opnameprotocol (zie publicaties hieronder). Als er voor onbekend wordt gekozen, dan wordt doorgerekend als ‘voldoet niet aan eis A en B’.

Isolatie hoge ruimten (oppervlakteverwarming) vervallen vanaf versie 11.0

  • Detail

Vervallen vanaf versie 11.0
Ook als de woonkamer / grootste ruimte van de rekenzone hoger is dan 4 meter, dan moet je bij oppervlakte verwarming (vloer-wand- of plafondverwarming) aangeven welke isolatie is toegepast bij het oppervlakte verwarmingssysteem. Daarvoor is het nodig de steek te weten, zie afbeelding 9.16 uit het opnameprotocol (zie publicaties hieronder).

Dit kan zonder isolatie zijn, gespecificeerd in een steek van meer of minder dan 20 cm. Of opgenomen in de component (minimumisolatie in overeenkomst met de NEN-EN 1264-reeks), gespecificeerd met een bereik van meer of minder dan 10 cm. Het kan ook zijn dat het systeem thermisch ontkoppeld, bij een bereik van ≤ 10 cm (Ubottom plate is dan ≤ 0,35 W / (m2·K)). Als er voor onbekend wordt gekozen, dan wordt doorgerekend als ‘zonder isolatie, steek >20 cm’. Op dit moment ontbreekt hierop nog een toelichting in het opnameprotocol, vragen kunnen gesteld worden op het adviesplatform.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 9.5
Afgiftesysteem voor ruimteverwarming Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 9.5
Afgiftesysteem voor ruimteverwarming Woningbouw

Aantal ventilatoren

Het aantal ventilatoren kun je bij twee soort afgiftesystemen invullen.

Bij radiatoren / convectoren met geïntegreerde boosterventilatoren (dus geen losse add-on systemen, die worden voor de energieprestatie niet meegenomen).

Ook bij een ventilatorconvector (fancoil of splitunits) geef je het aantal ventilatoren op, vul dan het aantal toestellen (binnen units) in.

Ventilator vermogen bekend

Zet het vinkje aan als het ventilatorvermogen bekend is. Als het niet bekend is, zet je geen vinkje aan en wordt er met een forfaitair vermogen van 10 W gerekend.

Voor geïntegreerde boosterventilatoren (radiator/convector met ondersteunende ventilatoren) geldt dat als deze getest zijn conform EN 16430, de werkelijke waarde gebruikt moet worden. Als dat niet het geval is, reken dan met rekenwaarde onbekend (10 W per ventilator).

Vermogen per ventilator [W]

Vul hier het gemiddelde vermogen van alle boosterventilatoren (geïntegreerd radiatoren), respectievelijk alle fancoils e/o splitunits in van de rekenzone(s) die aangesloten zijn op het verwarmingssysteem.

Het vermogen van de ventilatoren van het mechanisch ventilatiesysteem zelf, worden niet meegerekend. Het nominaal vermogen van de ventilator(en) van het ventilatiesysteem vul je bij het ventilatiesysteem in. Dit gaat alleen om hulpenergie van het afgiftesysteem (anders dan luchtverwarming via de luchtbehandelingskast).

Terug naar Installaties