Naam object

De naam van het object wordt ook gebruikt bij registraties van een omgevingsvergunning, als er nog geen BAG registratie voor het gebouw is.

EP-online kent een restrictie op het gebruik van leestekens, het is niet mogelijk om andere leestekens te gebruiken dan:

–  _  ’  `  , 

Objecttype, Bouwfase en Opname

Algemene projectgegevens

Omdat de invoervelden afhankelijk zijn van het objecttype, de bouwfase en het opnameniveau wordt dit per projectbestand opgegeven. Je kunt bij het object wel zien wat de uitgangspunten voor het object zijn, maar je kunt ze niet aanpassen. Daar voor ga je naar Algemeen Projectgegevens. Let op: dan veranderen uitgangspunten voor alle objecten in het projectbestand.

Lineaire koudebruggen, AOR en AOS uitgebreide methode

  • Detail

Om de ψ-waarde van lineaire koudebruggen op te geven, moet hier de uitgebreide methode aangevinkt worden. Vervolgens moet je in de geometrie bij de betreffende bouwdelen de gegevens voor de lineaire koudebruggen opgeven.

Als je dit vinkje over de uitgebreide methode uitgevinkt laat, wordt er gerekend met een forfaitaire toeslag zoals beschreven in NTA8800 paragraaf 8.2.1.

Classificatie

De classificatie van het object is bepalend voor de infiltratieberekening. Het subtype en de ligging worden ook gebruikt voor de afbeelding op het energielabel. De NTA 8800 kent de volgende uitvoeringsvarianten (een combinatie van subtype, ligging en daktype), klik op de afbeelding om deze te bekijken:

Gebouwtype

  • EPA-W

Bepaal het gebouwtype van het object. Er is een onderscheid in verschillende eengezinswoningen, appartementen en appartementencomplexen (woongebouwen), woonboten en woonwagens.

Ook logiesfunctie, niet gelegen in een woongebouw, valt onder woningbouw en kun je hier als vakantiewoning opgeven. Zijn het geen losse vakantiewoningen, maar bevinden ze zich in een woongebouw, dan is het een logiesfunctie en moet dit in een apart object als utiliteit doorgerekend worden.

Andere logiesfunctie = Vakantiewoning
(niet gelegen in een logies-/ woongebouw)
Logiesfunctie in een logiesgebouw
Objecttype: Woningbouw Objecttype: Utiliteit
Aanwijzingen: Ruimten in zomerhuisje/vakantiehuis of bed&breakfast. Deze worden in de energieprestatiemethodiek beschouwd als woonfunctie. Aanwijzingen: Slaapverblijven in een hotel, motel, pension of asielcentrum, slaapruimten in opvangcentrum voor tijdelijk verblijf van mensen, slaapverblijven in een brandweerkazerne, vakantiewoningen in een woongebouw.

 

Publicaties
ISSO 82.1 paragraaf 7.4.1
Gebouwtype en woningpositie

 

Appartementencomplexen met (niet) zelfstandige wooneenheden is alleen relevant voor aanvraag omgevingsvergunning en oplevering. Op dit niveau worden de BENG-eisen gesteld. Er zal geen energielabel door RVO worden gegenereerd. Het energielabel en de TOjuli eis is op het niveau ‘woning in een appartementencomplex’ van toepassing.

Voor een energielabel van een ‘zelfstandige eenheid’ (één woonfunctie) met niet zelfstandige woningen kies je als gebouwtype appartement. In het opnameprotocol paragraaf 7.4.2 (zie publicaties) wordt toelichting gegeven wat als ‘zelfstandige eenheid’ gezien wordt.

Voorbeelden

Woongebouw met kamergewijze verhuur zelfstandige en niet-zelfstandige wooneenheden), zie afbeelding 7.8. Het aantal woonfuncties is drie (twee zelfstandig en zes niet-zelfstandig met één gezamenlijke badkamer en keuken)

Afbeelding

Afb. 7.8 Voorbeeld woongebouw 2

In voorbeeld woongebouw 2 wordt een energielabel opgesteld voor de ‘zelfstandige eenheid waar alle 6 de niet-zelfstandige wooneenheden onder vallen. De niet-zelfstandige wooneenheid krijgt niet apart een ‘eigen’ energielabel.

Woongebouw met kamergewijze verhuur (zelfstandige en niet-zelfstandige wooneenheden), zie afbeelding 7.9. Het aantal woonfuncties is zes (twee zelfstandige en acht niet-zelfstandige wooneenheden). Voor de niet-zelfstandige wooneenheden geldt:

  • Niet-zelfstandige wooneenheid 1 en 2 hebben een gezamenlijke badkamer en keuken (samen één woonfunctie);
  • Niet-zelfstandige wooneenheid 3 en 4 hebben beiden een eigen keuken en een gezamenlijke badkamer (samen één woonfunctie);
  • Niet-zelfstandige wooneenheid 5 en 6 hebben beiden een eigen badkamer en een gezamenlijke keuken (samen één woonfunctie);
  • Niet-zelfstandige wooneenheid 7 en 8 hebben beiden een eigen badkamer en keuken en een gezamenlijk toilet (samen één woonfunctie).
Afbeelding

Afb. 7.9 Voorbeeld woongebouw 3

In voorbeeld woongebouw 3 worden er vier energielabels opgesteld, voor iedere (zelfstandige) woonfunctie.

Als vier niet-zelfstandige eenheden één keuken delen, en per twee niet-zelfstandige eenheden is er een gezamenlijke badkamer/toilet dan is het aantal wooneenheden in dat woongebouw vier en het aantal woonfuncties één: er is immers één badkamer/toilet per twee niet-zelfstandige eenheden en één keuken per vier niet-zelfstandige wooneenheden.

Niet-zelfstandige wooneenheden kunnen niet apart worden afgemeld. Deze moeten worden geclusterd tot één woonfunctie zoals hierboven aangegeven. De woonfunctie moet vervolgens worden afgemeld.

Publicaties
ISSO 82.1 paragraaf 7.4.2
Aantal woonfuncties per rekenzone

Gebouwtype

  • EPA-U

Voor utiliteit geef je op of het gebouwtype enkellaags of meerlaags is.

Subtype

Afhankelijk van het gekozen gebouwtype heb je voor subtype keuze uit ‘vrijstaand’, ‘kop-, eind- of hoekligging’, ‘tussenligging’ en alleen voor een eengezinswoning ‘twee-onder-een-kap’.

Ligging

Voor een woning in een appartementencomplex is niet alleen het subtype (kop-/eind-/hoekligging resp. tussenligging) van belang, maar ook op welke verdieping deze zicht bevindt: op de onderste verdieping, een tussenverdieping, of op de bovenste verdieping.

Met woningen op de onderste bouwlaag worden woningen bedoeld waarvan de vloer grenst aan grond, buiten of een onverwarmde ruimte. De onderste woning in een appartementencomplex die grenst aan een winkel, geldt als een woning op een tussenverdieping.

Ook voor een meerlaags utiliteitsgebouw geef je ligging op: onderste, tussen of bovenste verdieping, of een geheel gebouw.

Daktype

Voor eengezins- en vakantiewoningen, woonboten, woonwagens en enkellaags utiliteitbouw geef je het daktype op: ‘hellend dak’ (puntdak), ‘deels plat dak’ (halfplat dak), of ‘plat dak / zonder kap’. Zie ook de afbeeldingen uit de NTA 8800:

Zoals je in tabel 11.14 van de NTA 8800 kunt zien, is het daktype alleen van belang bij grondgebonden gebouwen, bij meerlaagse gebouwen is het daktype niet van invloed op de classificatie en kun je die daarom niet opgeven.

Tabel 11.14 NTA 8800 (2020) grondgebonden gebouwen

Aantal woonfuncties

  • EPA-W

Om de energieprestatie te bepalen, is het nodig het aantal woonfuncties in het appartementencomplex te weten. Deze kun je opgeven als je een woongebouw (appartementencomplex) in zijn geheel doorrekent. Het aantal woonfuncties wordt gebruikt om de tapwaterbehoefte en de benodigde ventilatiehoeveelheid te bepalen.

Bij een woongebouw met meerdere zelfstandige eenheden is het aantal woonfuncties gelijk aan het aantal zelfstandige eenheden (= aantal woningen).
In een woongebouw met meerdere niet-zelfstandige eenheden, voor bijvoorbeeld kamergewijze verhuur, is het aantal woonfuncties gelijk aan het aantal units dat een gezamenlijke badkamer, keuken en/of toilet deelt.

RvO: “Als de wooneenheden geen eigen keuken hebben, maar een gedeelde keuken (evt. incl. woonkamer) per bijv. 8 kamers, dan gelden die 8 kamers + gezamenlijke keuken als 1 wooneenheid. En per wooneenheid moet je een energielabel maken.” Je geeft heet aantal wooneenheden op bij het aantal woonfuncties. Voor details en voorbeelden voor het aantal woonfuncties, zie opnameprotocol bij publicaties hieronder.

Bij een eengezinswoning, woonwagen, drijvende woning of een vakantiewoning (niet in een woongebouw gelegen) is het aantal woonfuncties één en hoef je dit niet op te geven in Vabi EPA.

Publicaties
ISSO 82.1 paragraaf 7.4.2
Aantal woonfuncties per rekenzone

Aantal installaties ongelijk aan aantal woonfuncties

  • EPA-W

Als het aantal installaties voor een van de onderdelen (ventilatie, verwarming, tapwater of koeling) ongelijk is aan het aantal woonfuncties, moet je dat hier aanvinken. Vervolgens moet je per rekenzone bij algemeen aangeven hoeveel installaties er in de rekenzone aanwezig zijn. Deze optie is alleen beschikbaar als je het aantal woonfuncties kunt opgeven, dus alleen als je voor een omgevingsvergunning een appartementencomplex berekent. Bijvoorbeeld als het woongebouw verschillende woningtypes heeft waarbij de woningen verdeeld zijn over verschillende rekenzones, bijvoorbeeld 100 woningen in rekenzone 1 en 45 woningen in rekenzone 2.

In versie 8.5 is het default aantal installaties waar de software mee rekent aangepast aan het systeem dat je kiest, individueel, collectief/gemeenschappelijk respectievelijk warmte- en koudelevering derden. Bij een individueel systeem rekent de software automatisch voor het aantal installaties met het aantal woonfuncties. Bij een gemeenschappelijk / collectief systeem rekent de software automatisch met 1 systeem, net als bij gemeenschappelijk warmtelevering derden en koudelevering derden.

versie 8.4 en ouder
In versie 8.4 en ouder moest je zelf het aantal installaties opgeven als je bijvoorbeeld een woongebouw met boosterwarmtepompen hebt, deze heeft een gemeenschappelijk verwarmingssysteem, meestal 1 installatie voor meerdere woningen en de boosterwarmtepomp is een individueel systeem met meestal 1 installatie per woning.

Gebouwhoogte

Uit het opnameprotocol, zie publicaties:

De gebouwhoogte wordt bepaald door het hoogteverschil tussen het maaiveld en het dak van het gebouw. De hoogte wordt bepaald in een buitenafmeting van het gebouw. De gebouwhoogte is ook te bepalen door het aantal bouwlagen van het gebouw vast te stellen en te vermenigvuldigen met de bouwlaaghoogte (als deze gelijk zijn). Als één van de bouwlagen in het gebouw een andere gebruiksfunctie heeft, telt deze bouwlaag ook mee met de bepaling van de gebouwhoogte. Voorbeeld: in de plint onder een woongebouw zijn winkels gevestigd, de bouwlaag met winkels wordt ook meegeteld.

Als het maaiveld bij het betreffende gebouw niet overal een gelijke hoogte heeft, wordt gemeten van het diepste punt van het maaiveld tot aan het hoogste punt van het gebouw.

Als het gebouw (van dezelfde eigenaar) uit verschillende vleugels bestaat met verschillende gebouwhoogten, telt de grootste gebouwhoogte.

Zie de afbeeldingen uit het opnameprotocol ter illustratie:

Uit het opnameprotocol, zie publicaties:

Drijvende woningen

Voor drijvende woningen (woonboten) wordt gemeten van het wateroppervlak tot aan het hoogste punt van de drijvende woning.

Woonwagen

Voor woonwagens wordt gemeten van het maaiveld tot aan het hoogste punt van de woonwagen.

Publicaties
ISSO 75.1 paragraaf 8.1.4
Gebouwhoogte Utiliteit
ISSO 82.1 paragraaf 8.1.4
Gebouwhoogte Woningbouw

Adresgegevens

Voor bestaande bouw is het noodzakelijk om zowel de BAG ID’s als de adresgegevens overeenkomstig BAG in te vullen. Bij registratie doet RvO een controle. In dit hoofdstuk aanwijzingen om deze in te vullen zodat registratie bij EP-online soepel verloopt.

Toevoeging

Zowel de huisletter, als het huisnummer toevoeging van de nummeraanduiding worden bij Vabi in Toevoeging ingevuld, gescheiden door een – streepje.

Volgnummer (detailaanduiding)

Het volgnummer laat je normaal gesproken leeg. Alleen in minder voorkomende situaties wordt het volgnummer in Vabi gebruikt om de detailaanduiding op het energielabel te gebruiken. Het volgnummer kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor een pand met slechts een verblijfsobject met zowel een woning als een utiliteitsfunctie, die beide label plichtig zijn. In dat geval registreer je het ene energielabel op het adres overeenkomstig BAG, het ander energielabel krijgt hetzelfde adres, maar in de detailaanduiding een herkenbaar kenmerk. Deze detailaanduiding moet bij een toekomstige nieuwe registratie, of bij vervanging, exact hetzelfde gekozen worden. Volg hierbij de richtlijnen van RvO.

EP-online kent een restrictie op het gebruik van leestekens, het is niet mogelijk om andere leestekens te gebruiken dan:

–  _  ’  `  , 

Postcode

Als het gebouw geen postcode heeft, dan kun je de gemeente vragen de postcode toe te voegen aan BAG. Dat kan eventueel via het postloodje bij de BAGviewer.

PostNL is verantwoordelijk voor postcodes en geeft derhalve postcodes uit. Zij geven echter geen postcodes uit aan verblijfsobjecten met het gebruiksdoel “overige gebruiksfunctie”. Het is voor het gebouw uit de link bijvoorbeeld, daarom niet mogelijk om een postcode toe te voegen aan de nummeraanduiding.

Mogelijk is er een (hoofd)gebouw waar het energielabel op geregistreerd kan worden, waar een detailaanduiding wordt gebruikt, door een gebouwkenmerk (het adres bijvoorbeeld) in Vabi EPA op te geven bij het volgnummer. Of neem contact op met RvO voor een eventuele oplossing om alsnog te kunnen registreren.

BAG ID's

Om bestaande bouw te kunnen registreren moeten de BAG pand en verblijfsobject ID’s ingevuld worden. Neem de gegevens over van BAG Viewer.

Voor een omgevingsvergunning zijn de BAG id’s vaak nog niet beschikbaar. Dan is de naam van het project (Algemeen, projectgegevens) en de naam van het object (Objecten, Algemeen) nodig. Ook als de BAG id wel beschikbaar is, maar deze gegevens niet compleet zijn en dit een foutmelding geeft bij het registreren, laat je de BAG id leeg.

Voor een woonboot vul je het ID van de ligplaats in bij het BAG Pand id.
Gebouw heeft alleen een pand ID
Er zijn gebouwen die alleen een pand ID gekregen hebben en geen verblijfsobject ID. Meestal staan deze op een terrein met meerdere gebouwen en is er een hoofdgebouw met een pand ID én een verblijfsobject ID. Een gebouw zonder verblijfsobject ID kun je registreren met zijn eigen pand ID en je vult het verblijfsobject ID van het hoofdgebouw in. Dat is eenzelfde werkwijze als bij NEN7120 / Nader Voorschrift registraties voorheen, zie adviesplatform hieronder publicaties. RvO neemt het verblijfsobject ID van het hoofdgebouw over bij de detailaanduiding.

Publicaties
Adviesplatform St. KEGO
Hoe Meld Ik Gebouwen Af Zonder Bag Verblijfsobject-id?
Controleer bij het overnemen van de BAG id’s de status daar van. Logischerwijs kun je geen labels registreren op historische adressen.

Registratiegegevens

Er zijn een aantal gegevens die ingevuld moeten worden om te kunnen registreren en er worden registratiegegevens vastgelegd op het moment dat je succesvol geregistreerd hebt.

Registratiegegevens invoer

De getoonde velden zijn afhankelijk van de bouwfase: aanvraag omgevingsvergunning, oplevering nieuwbouw en bestaande bouw. Klik op een afbeelding in de galerij om de drie fases in detail te kunnen bekijken.

Projectnaam

  • Detail

Voor omgevingsvergunning is vaak nog geen adres bekend en wordt daarom met de Projectnaam en Objectnaam geregistreerd.

EP-online kent een restrictie op het gebruik van leestekens, het is niet mogelijk om andere leestekens te gebruiken dan:

–  _  ’  `  , 

Objectnaam

  • Detail

De Objectnaam vul je helemaal bovenaan in, onder Informatief en is daarom alleen leesbaar bij de registratiegegevens.

EP-online kent een restrictie op het gebruik van leestekens, het is niet mogelijk om andere leestekens te gebruiken dan:

–  _  ’  `  , 

Omgevingsvergunning op basis van EPC

  • Detail

Voor de bouwfase oplevering nieuwbouw moet je ‘Omgevingsvergunning op basis van EPC’ aanvinken als de vergunning in 2020 of eerder aangevraagd is met een EPC-berekening volgens de NEN 7120.

ProvisionalID

  • Detail

Er zijn twee situaties waarin gevraagd wordt om een provisionalID, als er bij oplevering nieuwbouw eerder een registratie van de vergunningsaanvraag (NTA 8800 berekening) is gedaan, of als je een registratie van een vergunningsaanvraag wilt vervangen.

Als er een vergunningsaanvraag is geregistreerd in 2021 of later, dan krijg je bij die registratie een provisionalID toegestuurd door RvO. Als je eerder met Vabi EPA met de registratietool hebt gebruikt, is deze in de meeste gevallen al ingevuld. Dit provisionalID moet je invullen bij vervanging van de vergunningsaanvraag, of bij de volgende fase, bij oplevering nieuwbouw.

GTO-berekening en GTO-uren

  • Detail

Als er met Vabi Elements een GTO berekening conform Bouwbesluit gemaakt is, dan kun je hier ‘GTO berekening’ aanvinken. Bij GTO-uren vul je de maximale waarde in die uit de GTO berekening volgt van de verschillende verblijfsruimtes binnen het Object.

Opnamedatum (bezoekdatum)

Zet het vinkje aan en vul hier de datum in dat de woning of het gebouw (object) bezocht is. Als het gebouwbezoek op meerdere data plaats vond, is de opnamedatum gelijk aan de eerste datum waarop het object bezocht is.

De Opnamedatum is bezoekdatum geworden. De definitie van de opnamedatum is namelijk veranderd. De definitie zoals omschreven in de BRL 9500 methode 2020 is:

Datum van bezoek aan de woning of het woongebouw (voor oplevering en bestaand) of datum waarop het energieprestatierapport ten behoeve van een vergunningsaanvraag is geregistreerd.

In de oude EPA-W software (Nader Voorschrift) maakten we onderscheid tussen bezoekdatum en opnamedatum (datum waarin gegevens verwerkt en ingevuld worden in de software). De opnamedatum werd gestuurd naar RvO. Hierop wordt de 10 jaar geldigheid van het energielabel gebaseerd. Met de NTA 8800 verandert dit: de opnamedatum wordt de bezoekdatum en niet de invoerdatum. Voor databehoud en overzicht ondersteunen we nog wel twee data, dit worden: opnamedatum (bezoekdatum) en invoerdatum. De bezoekdatum wordt naar RVO gestuurd en hierop zal de 10 jaar geldigheid van het label gebaseerd worden.

Bezoekende EP adviseur anders dan registrerende adviseur

Als een andere adviseur de gebouwopname op locatie heeft gedaan dan de adviseur die de registratie doet, dan zet je het vinkje aan om de naam van de Bezoekende EP adviseur en het examennummer van de bezoekende adviseur in te vullen. De naam en examennummer van registrerende adviseur hoef je niet in te vullen, deze gaan via het EP-online account.

Opnemend adviseur en registrerend adviseur worden apart geregistreerd in EP online. Er is een duidelijke scheiding tussen de persoon die het label opneemt en de persoon die het label registreert. Het komt namelijk vaak voor dat degene die daadwerkelijk in de woning of het gebouw is geweest, niet degene is die dit registreert. Vaak doet deze persoon dit voor een bepaalde periode voor meerdere woningen of gebouwen tegelijkertijd. Met de NTA 8800 is er geen verschil meer tussen opnemer en adviseur wat betreft de vakbekwaamheid. Beide personen dienen in bezit te zijn van bewijs van vakbekwaamheid voor het niveau dat van toepassing is op het gebouw (basis of detail voor woningen of voor utiliteitsgebouwen). De registrerend adviseur komt op het label te staan en is eindverantwoordelijk. Bij het registreren van grote hoeveelheden labels hoeft deze dan maar 1 keer in te loggen met E-herkenning.

Publicaties
Qbis
Zoek een gecertificeerd energie-adviseur

Optionele gegevens

Een aantal velden zijn niet meer noodzakelijk om in te vullen, deze zijn grijs. Op verzoek van sommige adviseurs zijn deze velden nog wel in te vullen.

Nu de invoerdatum niet meer bepalend is voor de geldigheidsduur van het energielabel, is het niet noodzakelijk een invoerdatum in te vullen. Zet het vinkje aan om deze op wel te geven.

Invoerende EP adviseur: hier kun je de naam van de EP adviseur invullen die de software heeft ingevuld.

Certificaathouder wordt nu via EP-online account op het energielabel gezet en is in de software dus optioneel. De certificaathouder is het bedrijf dat BTL 9500 gecertificeerd is, waar de registrerend adviseur voor werkt.

Registratiegegevens vastgelegd bij EP-online

Registratiegegevens vastgelegd bij EP-online

Als je met de registratietool werkt, dan worden de gegevens automatisch vastgelegd en hoef je het EPA-bestand na registratie slechts opnieuw op te slaan. Voor registraties -die via een monitorbestand upload bij EP-online- kunnen de vastgelegde registratiegegevens zelf ingevuld worden, overeenkomstig de gegevens op EP-online. Door het vinkje ‘Registratie gegevens blokkeren‘ uit te zetten, kunnen de gegevens ingevuld worden.

Overige

De software en deze paragraaf is nog in ontwikkeling

Verder kun je hier de algemene gegevens van het object kwijt, zoals NAW, BAG ID’s en andere informatie zoals complexnummer, een vhe-nummer (eenheid), strategisch voorraad beleid (SVB status), informatie over een subsidie aanvraag, of het een NOM woning is, etcetra, etcetra.


Terug naar de Objecten