Deze pagina is nog in ontwikkeling

Algemeen

Bouwjaar en renovatiejaar

Het bouwjaar en het renovatiejaar worden gebruikt om de infiltratie te bepalen. Als een gemeten qv,10-waarde (zie paragraaf 8.1.3.1 ) beschikbaar is, dan wordt die uiteraard gebruikt. En anders wordt de infiltratie bepaald op basis van o.a. het bouwjaar, het renovatiejaar of het jaar waarin energiebesparende bouwkundige maatregelen zijn getroffen die invloed hebben op de infiltratie (zie paragraaf 8.1.3.2).

Vanaf 1 juli 2024 (6e druk* zie toelichting hieronder) zijn bouwjaar en renovatie in het opnameprotocol onder de gebouwgegevens te vinden en niet zoals voorheen bij de rekenzone. Vul hetzelfde bouwjaar daarom in bij alle rekenzones.

Uit het opnameprotocol (5e druk), paragraaf 8.1.3.2, zie publicaties hieronder.

Als de luchtdichtheid van het gebouw niet bekend is, dan moet het bouwjaar van het betreffende gebouw worden gebruikt. Soms mag ook het renovatiejaar worden gebruikt. Dat kan alleen als bij minimaal 90% van de oppervlakte van de totale bouwkundige schil van de rekenzone energiebesparende bouwkundige maatregelen zijn uitgevoerd. De hier bedoelde bouwkundige schil is de schil grenzend aan de buitenlucht (dus niet grenzend aan grond en kruipruimte, zie ook het beslisschema in afbeelding 8.2).

Onder de bouwkundige schil vallen de gevels met daarin opgenomen ramen (beglazing en kozijn), deuren en panelen en het eventueel aanwezige dak.

Er is sprake van energiebesparende bouwkundige maatregelen als er maatregelen zijn genomen om de luchtdichtheid van het gebouw te verbeteren. Dat kunnen maatregelen zijn als het aanbrengen van isolatiemateriaal (gevel en dak), het vervangen van kozijnen, het vervangen van glas, het aanbrengen van dichting bij ramen en het aanbrengen van uitzetband (bijvoorbeeld compriband) bij kozijnen. Zie ook het beslisschema in afbeelding 8.1.

Als er isolatiemateriaal is aangebracht, zijn de Rc-waarde en U-waarde niet van belang, de Rc-waarde en U-waarde worden elders bij de bouwkundige gegevens ingevoerd.

Volg het beslisschema van afbeelding 8.1 om te beoordelen of het renovatiejaar gebruikt mag worden.

Als het renovatiejaar niet van toepassing is, omdat deze niet aan de gestelde criteria voldoet, laat het veld dan leeg in Vabi EPA.
Renovatiejaar onbekend
* Toelichting bouwjaar
Publicaties

Qv10 gemeten

Als een gemeten qv,10-waarde (zie paragraaf 8.1.3.1 ) beschikbaar is, dan wordt deze gebruikt en anders wordt de infiltratie bepaald op basis van het bouwjaar, het renovatiejaar of het jaar waarin energiebesparende bouwkundige maatregelen zijn getroffen die invloed hebben op de infiltratie (zie paragraaf 8.1.3.2).

Uit het opnameprotocol, paragraaf 8.1.3.1, zie publicaties hieronder.

Ga na of de luchtdichtheid (qv,10-waarde) van de betreffende rekenzone met een blowerdoortest is gemeten. Luchtdichtheid van de betreffende rekenzone moet zijn bepaald met een zogeheten blowerdoormeting of opblaasproef conform NEN 2686 (1988) inclusief aanvullingsblad A2 (2008).
De meting moet zijn uitgevoerd door een onafhankelijke partij.

Er moet een meetrapport beschikbaar zijn waarin de volgende aspecten zijn vermeld:

  • Adres van het betreffende gebouw/de woning.
  • Persoon/bedrijf die/dat de meting heeft uitgevoerd.
  • Meting is uitgevoerd conform de NEN 2686 (1988) inclusief aanvullingsblad A2 (2008).
  • Datum van de meting.
  • De gemeten qv,10-waarde in dm³/(s·m²).

Als de qv,10 in andere eenheden is vermeld, moet deze worden omgerekend naar dm³/(s·m²).

De meting mag maximaal één jaar oud zijn. Aan deze voorwaarde van een jaar hoeft niet te worden voldaan als de gemeten qv,10-waarde eerder in een energieprestatieberekening is gebruikt en is afgemeld bij RVO, en er daarna geen bouwkundige wijzigingen in de thermische schil van het gebouw zijn aangebracht.

Als een woning of gebouw (object) uit meerdere rekenzones bestaat en de blowerdoortest is uitgevoerd voor het hele gebouw, dan mag de qv,10-waarde voor alle rekenzones van het gebouw worden gebruikt.
Steekproef bij woningbouw
Woonblokken
Publicaties

Gebouwmassa

De interne specifieke warmtecapaciteit wordt door de software bepaald aan de hand van de gebouwmassa (woningbouw en utiliteit) en een open of gesloten plafond (alleen utiliteit). De gebouwmassa betreft de massa van de totale rekenzone (vloeren, wanden, plafonds, meubilair etc.) teruggerekend naar m² gebruiksoppervlakte.

Voor de gebouwmassa kun je de volgende richtlijnen gebruiken (Utiliteit resp. Woningbouw):

Met massief wordt bedoeld: een massa van meer dan 100 kg/m². Hieronder vallen steenachtige materialen zonder afscherming door binnenisolatie. Met licht wordt bedoeld: een massa van 100 kg/m² of minder dan 100 kg/m². Hieronder vallen houtskeletbouw en staalskeletbouw en steenachtige materialen met een niet-massieve afscherming aan de binnenzijde, zoals binnenisolatie.

Woonboten en woonwagens vallen voor de massa van de constructie per m² gebruiksoppervlakte van de rekenzone in de categorie ‘minder dan 250 kg/m²’.
Warmtecapaciteit volgens Bijlage B NTA8800

 

Volgens bijlage J van het protocol moet een (klimatiserings)zone opgesplitst worden als de specifieke interne warmtecapaciteit meer dan een factor 3 verschilt. Aan deze voorwaarde hoeft niet te worden voldaan als meer dan 80% van de rekenzone dezelfde specifieke interne warmtecapaciteit heeft. De volgende tabel kan gebruikt worden om snel te zien of de specifieke interne warmtecapaciteit meer dan een factor 3 verschilt.

Voorbeeld: De rekenzone is een woning (en heeft dus een gesloten plafond) met een gebouwmassa van 250-500 kg/m2.  De specifieke interne warmtecapaciteit is dan 110 kJ/m2K. Alleen bij een open plafond (utiliteit) bij een gebouwmassa van >500 kg/m2 hoeft de rekenzone opgedeeld te worden, deze opties zijn geel in de tabel. Voor een woning zal de rekenzone nooit opgedeeld hoeven worden.

Als de tabel geanalyseerd wordt kan geconcludeerd worden dat als de gebouwmassa 1 stap hoger of lager wordt (bv: van 250-500 naar <250 of 500-750), de rekenzone nooit opgedeeld hoeft te worden.

Publicaties

Kwaliteitsverklaring (PCM)

Heb je een kwaliteitsverklaring voor PCM (Phase Changing Material), dan kun je het vinkje aanzetten. De soortelijk warmte neem je over van de kwaliteitsverklaring en vul de massa in die voor deze rekenzone is toegepast.

Controleer of de situatie voldoet aan de op de verklaring gestelde voorwaarden, zie het voorbeeld bij publicaties:

Voorwaarde voor het meerekenen van PCM 23 of PCM 26:
Bepaal de werkzame dikte d, in m, als de dikte van het constructieonderdeel, voor zover de warmteweerstand van het constructieonderdeel gerekend loodrecht vanaf het binnen oppervlak minder bedraagt dan 0,25 m²K/W. d mag daarbij niet meer dan 100 mm en niet meer dan de helft van de totale dikte van de constructie bedragen.
De warmtecapaciteit van PCM mag slechts meegenomen worden in de berekening als deze zich binnen dikte d van het constructieonderdeel bevindt.

Bij vrijhangende plafondconstructies mag, indien een aandeel van ten minste netto 15 % van de plafondoppervlakte open is, de warmteweerstand van de vrijhangende plafondconstructie buiten beschouwing blijven voor de bepaling van de warmteweerstand van het constructieonderdeel vanaf het binnenoppervlak.

De waardering van het toepassen van PCM 23 beperkt zich tot systemen met actieve koeling.

Publicaties

Type plafond

  • EPA-U

Bij utiliteitsbouw moet worden uitgegaan van de kolom ‘gesloten of verlaagd plafond’ tenzij van een vrijhangend plafond in het verblijfsgebied ten minste netto 15% van de plafondoppervlakte, gelijk verdeeld over het plafond, open is uitgevoerd.

Aantal installaties

  • EPA-W

Als het aantal installaties in een appartementencomplex ongelijk is aan het aantal woonfuncties, dan kun je dat opgeven bij Object – Algemeen. Bij iedere rekenzone geef je dan het aantal installaties op.

In versie 8.5 en nieuwer is het default aantal installaties waar de software mee rekent aangepast aan het systeem dat je kiest, individueel, collectief/gemeenschappelijk respectievelijk warmte- en koudelevering derden. Bij een individueel systeem rekent de software automatisch voor het aantal installaties met het aantal woonfuncties van het object. Bij een gemeenschappelijk / collectief systeem rekent de software automatisch met 1 systeem, net als bij gemeenschappelijk warmtelevering derden en koudelevering derden.

Gebruiksoppervlak

Verdiepingen en gebruiksoppervlak

Geef de gebruiksoppervlakte van de rekenzone op, volg hierbij de richtlijnen van het opnameprotocol. Kies of je de totale oppervlakte opgeeft, of als je dat fijn vindt, kan het per verdieping. Je kunt maximaal 20 verdiepingen aanmaken, door op het plusje te klikken. Heb je meer verdiepingen, dan kun je het als totaal invoeren. Voor de resultaten maakt invoer per verdieping of in totaal niet uit.

Als de aanwezigheid van standleidingen onbekend is, dan wordt voor woningbouw het aantal bouwlagen afgeleid uit het aantal verdiepingen dat ingevuld wordt. Stel dat een rekenzone op de derde bouwlaag ligt en je geeft het gebruiksoppervlak per verdieping op, maak dan eerst twee verdiepingen aan met 0 m² en vul op de derde verdieping het gebruiksoppervlak van de betreffende rekenzone in.
Publicaties

Gebruiksfuncties

Hoofdfunctie en deelfuncties

  • EPA-U

De gebruiksfunctie is van belang voor het indelen van de rekenzones, Stap 5 Bepaal de rekenzones.

In een klimatiseringszone kunnen verschillende gebruiksfuncties aanwezig zijn die qua setpoint en ventilatiecapaciteit te veel van elkaar afwijken en daarom in verschillende rekenzones gesplitst moeten worden. Bepaal vervolgens per rekenzone de gebruiksoppervlakte.

Uit het opnameprotocol ISSO 75.1 paragraaf 7.6 (zie publicaties hieronder)

Een klimatiseringszone kan weer uit een of meerdere rekenzones bestaan. Een rekenzone moet minimaal één gebruiksfunctie kennen, maar dat kunnen er dus ook meerdere zijn.

Een klimatiseringszone wordt in meerdere rekenzones gesplitst wanneer:

  • De setpointtemperatuur voor verwarming van de gebruiksfuncties meer dan 4 K verschilt (zie tabel 7.3);
  • Bij ventilatietype A, B, C of E de ventilatiecapaciteit per m² gebruiksoppervlakte meer dan een factor 4 verschilt (zie tabel 7.3);
  • De specifieke interne warmtecapaciteit meer dan een factor 3 verschilt. De specifieke interne warmtecapaciteit wordt bepaald door de constructietypes van het gebouw (zie tabel 7.4).

In onderstaande paragrafen zijn deze punten nader toegelicht. Zie ook beslisschema 5 in afbeelding 7.9. Hierin zijn tevens de uitzonderingen aangegeven.

De hoofdfunctie is de functie van de rekenzone met het grootste oppervlak. Eventuele andere functies, die binnen dezelfde rekenzone vallen, worden als deelfunctie opgegeven. De gekozen hoofdfunctie geef je niet meer als deelfunctie op, alleen afwijkende functies geef je als deelfunctie op.

 

Publicaties

In tabel 7.1 van het opnameprotocol wordt een toelichting gegeven op de verschillende gebruiksfuncties, zie publicaties hieronder.

gebruiksfuncties (Utiliteitsbouw)

  1. Deze gebruiksfunctie is niet beschikbaar voor objecttype Utiliteit. Als je voor objecttype Woningbouw kiest, dan kun je het gebouwtype opgeven bij het object in plaats van de rekenzone.
  2. Het is niet verplicht om bij verkoop, oplevering of verhuur de energieprestatie te bepalen. Deze gebouwdelen worden bij de berekening van de energieprestatie buiten beschouwing gelaten. Gebruiksoppervlakte van deze gebouwdelen hoeft dus ook niet te worden bepaald. Deze gebouwdelen worden afhankelijk van de wijze van conditionering beschouwd als verwarmde of onverwarmde aangrenzende ruimte.
  3. Geen gebruiksfunctie conform het Bouwbesluit, maar ingevoerd om de gebouwen te kunnen indelen.
  4. De hulpfunctie is alleen te kiezen als deelfunctie en niet als hoofdfunctie van de rekenzone.

Hulpfunctie

  • EPA-U

Bij het indelen van de verschillende gebruiksfuncties binnen een rekenzone is de hulpfunctie een onderdeel. De hulpfunctie is geen gebruiksfunctie in het Bouwbesluit, maar deze wordt in het opnameprotocol gebruikt  om de gebouwen te kunnen indelen. Volg voor het bepalen welke gebruiksfuncties toegewezen worden aan de hoofdfunctie paragraaf 7.3, zie publicaties hieronder.

Vul in de software alleen de hulpfunctie in van gemeenschappelijke en overige ruimten én als de hulpfunctie ook energieprestatieplichtige is. De software zal de hulpfunctie naar rato van de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfuncties verdelen. Bij andere situaties waarbij de hulpfunctie niet op alle (hoofd/deel)functies is aangesloten is het nodig om zelf de m2 van de hulpfunctie te verdelen over de andere functies.

Ligt de hulpfunctie in een niet-gemeenschappelijke ruimte, geef de hulpfunctie dan niet apart op, maar neem deze mee in de bijhorende gebruiksfunctie.

Gebruik tabel 7.2 en de toelichting om dit te bepalen. Een aantal aandachtspunten uit deze tabel van het opnameprotocol:

Aangegeven staat dat de hulpfuncties in een energieprestatieplichtig deel naar rato van het gebruiksoppervlakte verdeeld moeten worden. Dit kan leiden tot complexe situaties als er in het gebouw ook een niet-energieprestatieplichtig deel aanwezig is. Delen in een energieprestatieplichtig deel kunnen dan namelijk niet-energieprestatie-plichtig worden en dan wordt de verdeling van de oppervlakte complex. Om deze reden worden de hulpfuncties die voor het energieprestatieplichtige én niet-energieprestatieplichtige deel aanwezig zijn altijd toegekend aan één van de twee. Daarbij geldt dat er een zo logisch mogelijke verdeling gemaakt moet worden. In praktijk betekent dat de hulpfunctie toegekend wordt aan het deel waar het de meeste raakvlakken mee heeft. Alleen verticale constructies tellen mee. Voorbeeld is een gang die (in het horizontale vlak) voor 75% omsloten wordt door energieprestatieplichtige functies, en voor 25% grenst aan een niet-energieprestatieplichtige functie. Deze gang wordt dan volledig toegekend aan het energieprestatieplichtige deel. Bij gelijke verdeling, heeft de energieprestatieplichtige functie prioriteit.
Om deze reden worden de hulpfuncties die in het energieprestatieplichtige deel liggen, en die voor het energieprestatieplichtige én niet-energieprestatie-plichtige aanwezig zijn, altijd toegekend aan het energieprestatie-plichtige deel.
Omgekeerd geldt ook dat hulpfuncties ten behoeve van energieprestatieplichtige functies en niet-energieprestatieplichtige functies, die in het niet-energieplichtige deel liggen, niet toegekend worden aan de energieprestatieplichtige functies.

Zolders, vlieringen en kelders
Opslagruimte
Als de rekenzone alleen een hoofdfunctie en hulpfuncties kent, dan heeft het geen toegevoegde waarde de hulpfunctie apart op te gegeven. Het staat de adviseur vrij om de hulpfuncties zelf conform het opnameprotocol te verdelen over de verschillende gebruiksfuncties.
Publicaties

Lineaire koudebruggen

Lineaire koudebruggen

  • Detail
Vanaf versie 0.8800.4 (oktober release) geef je de gedetailleerde invoer van de lineaire thermische bruggen op in de geometrie.

Leidingdoorvoeren

Leidingdoorvoeren standleidingen HWA VWA

Uit de NTA 8800

Het gaat hier om verticale leidingen die in directe verbinding staan met buitenlucht, waarin het zogenaamde schoorsteeneffect optreedt: doordat de lucht aan de wanden van de leiding opwarmt, ontstaat langs de wanden een opwaartse luchtstroming. Hierdoor wordt de luchtdruk onderin de leiding lager, waardoor er (koudere) buitenlucht wordt aangezogen, die de luchtstroming op gang houdt. Het gaat hierbij bijv. om standleidingen voor hemelwater of afvalwater; ventilatiekanalen vallen hier niet onder.

Bij leidingdoorvoeren door de thermische schil gaat het bijvoorbeeld om standleidingen voor hemelwater of afvalwater en rioolbeluchters/-ontluchters. Ventilatiekanalen, elektriciteitsleidingen, CV-leidingen rookgasafvoerkanalen vallen hier niet onder. Geef aan of deze aanwezig zijn, afwezig of dat het onbekend is of er leidingdoorvoeren aanwezig zijn.

*Note: indien het gebruiksoppervlakte op ’totaal oppervlakte’ stond werd voor versie 8.7 niet altijd het aantal bouwlagen gevraagd bij een woongebouw of woning in appartementencomplex.  Hierdoor kan het zijn dat er te gunstig (met 1 bouwlaag) werd gerekend.

Als het onbekend is of er leidingdoorvoeren aanwezig zijn, zijn er voor utiliteitsbouw aanvullende velden nodig: het aantal bouwlagen als deze niet uit verdiepingen is af te leiden, en het aantal toiletgroepen. Voor woningbouw wordt de informatie voor de forfaitaire berekening uit andere invoervelden gebruikt en is er geen aanvullende invoer nodig. Voor een individuele woning wordt er gerekend met één ongeïsoleerde leiding per rekenzone per bouwlaag in de rekenzone. Voor een woongebouw wordt gerekend met één ongeïsoleerde leiding per woonfunctie in het gebouw. Het aantal woonfuncties wordt uit Object Algemeen overgenomen.

Zie paragraaf 7.3.3 van de NTA8800.

 

Publicaties

Aantal

Vul hier in het aantal aanwezige verticale leidingen die door de thermische schil gaan.

Geef bij het aantal (verticaal door thermische schil) het aantal leidingen op die door de thermische schil gaan. Bijvoorbeeld bij een woongebouw met:

  • 10 bouwlagen
  • 4 woningen per laag (totaal 40 woonfuncties)
  • 1 verticale leiding per woning

In dit voorbeeld vul je bij ‘aantal’ 4 op, en niet 40. In de berekening wordt namelijk rekening gehouden met het aantal bouwlagen. Als je een appartement uit dit voorbeeld woongebouw doorrekent, dan is het aantal  leidingdoorvoeren 1.

Publicaties

Aantal bouwlagen rekenzone

Vul hier het aantal bouwlagen van de rekenzone in (par 8.1.5 zie publicaties). Hier wordt het daadwerkelijke aantal bouwlagen van de rekenzone bedoeld, ongeacht of de leiding door slechts een deel van de bouwlagen van de rekenzone loopt.

Als je het gebruiksoppervlak per verdieping opgeeft, worden het aantal verdiepingen daar uit overgenomen. Als er verdiepingen bij de rekenzone horen die geen gebruiksoppervlak hebben, geef deze dan dus wel op met 0 m². Of kies er voor om het totaal gebruiksoppervlak op te geven en vul het aantal verdiepingen in bij de leidingdoorvoeren.
Publicaties

Aantal toiletgroepen

  • EPA-U

Als het onbekend is of er leidingdoorvoeren aanwezig zijn, geef je het aantal toiletgroepen op. Forfaitair wordt er namelijk met één ongeïsoleerde verticale leiding per toiletgroep gerekend, waarbij de verticale leiding door alle bouwlagen gaat van het gebouw waar deze toiletgroep zich in bevindt en boven elkaar gelegen toiletgroepen maar één keer worden meegerekend.

Leidingen geïsoleerd

Er is sprake van isolatie als meer dan 90% van de betreffende leidinglengten is geïsoleerd.

Door / langs andere aangrenzende rekenzones / AVR

Geef aan of de leiding(en) ook door / langs andere aangrenzende rekenzones of aangrenzende verwarmde ruimten. Als dit het geval is, geef dan aan door/langs hoeveel rekenzones of aangrenzende verwarmde ruimten de leiding loopt. De beschouwde rekenzone telt ook mee. Het verlies wordt evenredig verdeeld over het aantal ingevulde rekenzones en aangrenzende verwarmde ruimtes.

door andere boven- e/o onderliggende aangrenzende rekenzones of aangrenzende verwarmde ruimten loopt en/of  langs andere naastliggende aangrenzende rekenzones of aangrenzende verwarmde ruimten

Zie ISSO Praktijkhandboek onder publicaties hieronder voor uitgewerkte voorbeelden.

Publicaties

Versie 10.2 en ouder

Ventilatieve koeling

Zomernachtventilatie is aangepast naar ventilatieve koeling (NTA 8800 : 2024), aansluitend bij wat internationaal gebruikelijk is.

Deze pagina is nog in ontwikkeling

Uit ISSO 82.1, zie publicaties hieronder

Aanvullende natuurlijke ventilatieve koeling (ook zomernachtventilatie genoemd) neem je alleen op als dit ook bij de aanvraag van de omgevingsvergunning is meegenomen, of als er een ontwerp aanwezig is met daarop:

  • De positie van de ventilatievoorzieningen;
  • De afmeting per ventilatievoorziening;
  • Aangegeven dat alle ventilatievoorzieningen voor ventilatieve koeling:
    • bereikbaar zijn volgens NEN 5087 [13];
    • in geopende stand inbraakwerend zijn volgens NEN 5096 [14];
    • in geopende stand insectwerend zijn;
    • in geopende stand regenwerend zijn volgens NEN 2778 [11];
    • bedienbaar zijn op maximaal 1,8 meter boven het vloeroppervlak.

Ventilatieve koeling in het kader van de energieprestatie vindt uitsluitend plaats met natuurlijke luchtvolumestromen via roosters, luiken, kleppen en te openen ramen.

Passieve koeling door inzet van ventilatoren staat in paragraaf 11.5.6.

Type ventilatieve koeling (zomernachtventilatie)

  • Detail

Zomernachtventilatie wordt alleen getoond als bij de projectgegevens is gekozen voor detailopname.

Zomernachtventilatie wordt alleen opgenomen en gecontroleerd als zomernachtventilatie ook bij de aanvraag van de omgevingsvergunning is meegenomen, of als er een ontwerp aanwezig is. Het betreft zomernachtventilatie via uitsluitend natuurlijke luchtvolumestromen. Deze natuurlijke luchtvolumestromen komen tot stand via roosters, luiken, kleppen en te openen ramen. Passieve koeling door inzet van ventilatoren (paragraaf 11.5.6) geef je niet op bij zomernachtventilatie.

In de utiliteitsbouw komt zomernachtventilatie op basis van uitsluitend natuurlijke luchtstromen nauwelijks voor.

Dwarsventilatie
Dwarsventilatie heeft doorgaans een groter effect op het verlagen van de TOjuli dan enkelzijdige ventilatie. De bediening is echter ook van belang, het kan zijn dat handmatige dwarsventilatie minder goed scoort dan automatische enkelzijdige ventilatie met temperatuurregeling.

Uit het opnameprotocol ISSO 82.1 paragraaf 11.1.3 Te gebruiken informatiebronnen voor het ontwerp zomernachtventilatie

Nachtventilatie mag in de bepaling van de energieprestatie van een gebouw gebruikt worden als er een ontwerp is met daarop:

  • de positie van de ventilatievoorzieningen;
  • de afmeting per ventilatievoorziening;
  • daarbij aangegeven dat alle ventilatievoorzieningen:
    • Voor zomernachtventilatie, die bereikbaar zijn volgens NEN 5087:2013+A1:2016, in geopende stand inbraakwerend zijn volgens NEN 5096:2012+A1:2015.
    • Het gebruik van de voorzieningen voor zomernachtventilatie niet leidt tot een toename van insecten en ongedierte in het gebouw. Voor woonfuncties is in uitwendige scheidingsconstructies met een hellingshoek > 45° een gaas of perforatie met een maaswijdte van maximaal 3 mm vereist.
    • Regenwerend zijn volgens NEN 2778:2015.
    • Bedienbaar zijn op maximaal 1,8 meter boven het vloeroppervlak.

Vul alleen die doorlaten in per rekenzone welke mogen worden meegenomen en bepaal of er sprake is van dwarsventilatie of enkelzijdige ventilatie.

Publicaties

Cd en Ce

  • Detail

Vanuit aanpassing NTA 8800 : 2024, beschikbaar vanaf versie 11.0 – juli 2024. De adviseur kan kiezen om de nettodoorlaat zelf uit te rekenen en in te vullen, of dat je de brutodoorlaat invult. Bij invoer van de brutodoorlaat vinkje Cd en Ce aan, die kun je vervolgens aan het eind van de regel invullen. In het opnameprotocol (6e druk per 1 juli 2024) staan deze coëfficiënten niet beschreven, maar alleen de nettodoorlaat (par 11.8.3, zie hieronder). Om te kunnen voldoen aan de EDR-testen is deze optie wel in Vabi EPA mogelijk.

Cd is de dimensieloze dischargecoëfficiënt van de voorziening ten behoeve van de ventilatieve koeling, bepaald volgens NEN-EN 13030.

Ce is de ‘entry loss coëfficiënt’ van de voorziening ten behoeve van de ventilatieve koeling, bepaald volgens NEN-EN 13030.

Omdat de Cd en Ce-waarden volgens NEN-EN 13030 inclusief de afvoerfactor voor doorlaten is, wordt voor de bepaling van de nettodoorlaat in formule (11.71a) de effectieve doorlaat gecorrigeerd met de forfaitaire waarde van 0,67 voor de CD;w.

Netto oppervlak

  • Detail

Voor alle doorlaten geldt dat de netto doorlaat per oriëntatie dient te worden bepaald. Dit is de effectieve oppervlakte van de opening met aftrek van de gesloten delen ten gevolge van lamellen, perforatieplaat of gaas. Volg daarbij de instructies van het opnameprotocol, zie publicaties hieronder.

Bepaal per opening de bruto doorlaat, het percentage open/gesloten en de openingshoek van de doorlaat.
Bepaal per rekenzone wat de maximale netto raamopening Aw per oriëntatie is, die voor zomernachtventilatie gebruikt kan worden. De oriëntatie kan naast de windrichting ook een horizontaal vlak zijn, namelijk het dak.

Publicaties

Hoogte doorlaat

  • Detail

De hoogte van de netto opening moet worden opgegeven, zie afbeelding 11.18 uit ISSO 82.1.

Hoogte maaiveld tot midden doorlaat

  • Detail

De hoogte van het midden van de doorlaat ten opzichte van het maaiveld moet worden opgegeven. Als er sprake is van een glooiend of hellend maaiveld, moet het laatste punt worden genomen. Zie afbeelding 11.18 uit ISSO 82.1 uit de afbeelding hierboven.


Terug naar Objecten